H20 aantekeningen
§1
Nederland heeft een open economie
1. Hoge exportquote = exportontvangsten/nationaalinkomen x 100%
→ exportontvangsten zijn een groot deel van ons nationaal inkomen
2. Hoge importquote = importuitgaven/nationaal inkomen x 100%
→ een groot deel van het nationaal inkomen word aan goederen uit het
buitenland uitgegeven.
Doorvoer → product gaat van China door Nederland naar Duitsland zonder dat een
Nederlands bedrijf eigenaar wordt → Nederland verdiend er bijna niets aan
Wederuitvoer → Nederlands bedrijf koop product in China en verkoopt het weer aan
Duitland, dus word Nederlands bedrijf eigenaar → Nederland verdien er niet veel aan
Overeenkomst → Geen bewerking van het product dus we verdienen er niet veel aan
Betalingsbalans → overzicht van alle inkomsten en uitgaven van Nederland met het
buitenland gedurende 1 jaar.
Goederen rekening
Ontvangsten Uitgaven
- Export ontv. goederen 70 - Import uitg. goederen 30
Diensten rekening
- Verleende diensten aan - Verkregen diensten van
buitenland 40 buitenland 50
Vb. Toeristen uit China
Inkomensrekening
- Ontv. primaire inkomen uit - Betaalde primaire inkomen
aan
buitenland buitenland 60
- Ontv. secundaire inkomen uit - Betaalde secundaire inkomens
buitenland 80 buitenland
Vb. subsidies van EU Vb. Belasting aan Eu en
schenkingen arme landen
Kapitaalrekening
- Buitenlandse investeringen - Nederlandse investeringen in
in Nederland 30 buitenlands 50
- Buitenlandse beleggers naar - Nederlandse beleggers naar
Nederland → hoge rente 20 buitenland → Hoge rente
Goud + Deviezenrekening → salderingsrekening
- Betaalde goud + deviezen - Ontvangen goud + deviezen
Ontvangen = 70 + 40 + 80 + 30 + 20 = 240
Uitgaven = 30 + 50 + 60 + 50 + 40 = 230
, H20 aantekeningen
Lopende rekening van de betalingsbalans
Ontv. - Uitg. = Saldo
1. Goederenrekening 70 30 +40
2. Dienstenrekening 40 50 -10
3. Inkomensrekening 80 60 +20
Lopende rekening 190 140 +50 → saldo LR →
nationaal inkomen stijgt
50
Betalingsbalans Ontv. - Uitg = Saldo
240 230 +10 → toename goud + deviezen
(buitenlands geld)
→ goud + deviezen steeg 10 → monetaire reserves stijgt 10 → officiële reserves stijgt 10
Dus Nederland bezit 10 miljard meer buitenlands geld.
Stel export stijgt → vraag naar Nederlandse goederen door buitenland stijgt
Gunstig bij onderbesteding → als vraag stijgt → productie stijgt → werkgelegenheid stijgt
→ werkloosheid daalt
Ongunstig bij overbesteding → als vraag stijgt → productie kan niet stijgen → tekort
producten → inflatie stijgt (prijs stijgt)
§2
Protectie → beschermen Nederlandse bedrijven tegen buitenlandse bedrijven.
Doel → import daalt + export stijgt → vraag Nederlandse goederen stijgt → productie
stijgt → werkgelegenheid stijgt → nationaal inkomen stijgt
Instrumenten protectie
1. Invoerrechten → invoertarief → douane tarief → invoerbelasting
→ kosten voor importeur stijgt → verkoopprijs importproduct stijgt → import daalt
2. Importcontigent → invoermaximum → invoerquotum
→ maximale import hoeveelheid daalt (prijs importproduct stijgt, want vraag is
groter dan aanbod)
3. Non-tarifaire handelsbelemmeringen → gezondheid en veiligheid voorschriften,
zodat de import daalt, want importkosten stijgt → prijs stijgt
4. Exportsubsidie → verkoopprijs Nederlandse producten in het buitenland daalt →
export stijgt
Nadelen protectie→
1. Exportsubsidies kosten overheid geld → belasting stijgt
2. Importproducten duurder → inflatie (kosten inflatie)
3. Andere landen nemen tegenmaatregelen → export Nederland daalt
4. Import Nederland daalt → export in andere landen daalt → productie en inkomen
in andere landen daalt → andere landen importeren minder uit Nederland →
export Nederland daalt
5. Geen efficiënte allocatie (gebruik productie factoren), want de producten worden
niet meer gemaakt in het land wat het goedkoopst kan produceren → prijzen
stijgen → behoefte voorzieningen daalt → welvaart daalt
§1
Nederland heeft een open economie
1. Hoge exportquote = exportontvangsten/nationaalinkomen x 100%
→ exportontvangsten zijn een groot deel van ons nationaal inkomen
2. Hoge importquote = importuitgaven/nationaal inkomen x 100%
→ een groot deel van het nationaal inkomen word aan goederen uit het
buitenland uitgegeven.
Doorvoer → product gaat van China door Nederland naar Duitsland zonder dat een
Nederlands bedrijf eigenaar wordt → Nederland verdiend er bijna niets aan
Wederuitvoer → Nederlands bedrijf koop product in China en verkoopt het weer aan
Duitland, dus word Nederlands bedrijf eigenaar → Nederland verdien er niet veel aan
Overeenkomst → Geen bewerking van het product dus we verdienen er niet veel aan
Betalingsbalans → overzicht van alle inkomsten en uitgaven van Nederland met het
buitenland gedurende 1 jaar.
Goederen rekening
Ontvangsten Uitgaven
- Export ontv. goederen 70 - Import uitg. goederen 30
Diensten rekening
- Verleende diensten aan - Verkregen diensten van
buitenland 40 buitenland 50
Vb. Toeristen uit China
Inkomensrekening
- Ontv. primaire inkomen uit - Betaalde primaire inkomen
aan
buitenland buitenland 60
- Ontv. secundaire inkomen uit - Betaalde secundaire inkomens
buitenland 80 buitenland
Vb. subsidies van EU Vb. Belasting aan Eu en
schenkingen arme landen
Kapitaalrekening
- Buitenlandse investeringen - Nederlandse investeringen in
in Nederland 30 buitenlands 50
- Buitenlandse beleggers naar - Nederlandse beleggers naar
Nederland → hoge rente 20 buitenland → Hoge rente
Goud + Deviezenrekening → salderingsrekening
- Betaalde goud + deviezen - Ontvangen goud + deviezen
Ontvangen = 70 + 40 + 80 + 30 + 20 = 240
Uitgaven = 30 + 50 + 60 + 50 + 40 = 230
, H20 aantekeningen
Lopende rekening van de betalingsbalans
Ontv. - Uitg. = Saldo
1. Goederenrekening 70 30 +40
2. Dienstenrekening 40 50 -10
3. Inkomensrekening 80 60 +20
Lopende rekening 190 140 +50 → saldo LR →
nationaal inkomen stijgt
50
Betalingsbalans Ontv. - Uitg = Saldo
240 230 +10 → toename goud + deviezen
(buitenlands geld)
→ goud + deviezen steeg 10 → monetaire reserves stijgt 10 → officiële reserves stijgt 10
Dus Nederland bezit 10 miljard meer buitenlands geld.
Stel export stijgt → vraag naar Nederlandse goederen door buitenland stijgt
Gunstig bij onderbesteding → als vraag stijgt → productie stijgt → werkgelegenheid stijgt
→ werkloosheid daalt
Ongunstig bij overbesteding → als vraag stijgt → productie kan niet stijgen → tekort
producten → inflatie stijgt (prijs stijgt)
§2
Protectie → beschermen Nederlandse bedrijven tegen buitenlandse bedrijven.
Doel → import daalt + export stijgt → vraag Nederlandse goederen stijgt → productie
stijgt → werkgelegenheid stijgt → nationaal inkomen stijgt
Instrumenten protectie
1. Invoerrechten → invoertarief → douane tarief → invoerbelasting
→ kosten voor importeur stijgt → verkoopprijs importproduct stijgt → import daalt
2. Importcontigent → invoermaximum → invoerquotum
→ maximale import hoeveelheid daalt (prijs importproduct stijgt, want vraag is
groter dan aanbod)
3. Non-tarifaire handelsbelemmeringen → gezondheid en veiligheid voorschriften,
zodat de import daalt, want importkosten stijgt → prijs stijgt
4. Exportsubsidie → verkoopprijs Nederlandse producten in het buitenland daalt →
export stijgt
Nadelen protectie→
1. Exportsubsidies kosten overheid geld → belasting stijgt
2. Importproducten duurder → inflatie (kosten inflatie)
3. Andere landen nemen tegenmaatregelen → export Nederland daalt
4. Import Nederland daalt → export in andere landen daalt → productie en inkomen
in andere landen daalt → andere landen importeren minder uit Nederland →
export Nederland daalt
5. Geen efficiënte allocatie (gebruik productie factoren), want de producten worden
niet meer gemaakt in het land wat het goedkoopst kan produceren → prijzen
stijgen → behoefte voorzieningen daalt → welvaart daalt