OZT5
Les 1 – Botweefsel en verbindingen
Leerdoel 1: de histologische kenmerken van de steunweefsels beschrijven
Hoofdgroepen weefsels:
• Epitheelweefsel
• Bindweefsel (steunweefsel):
• Spierweefsel:
• Zenuwweefsel:
Steunweefsel (bindweefsel): beschermen organen, bepalen hun vorm en onderlinge
beweeglijkheid
• Ondersteuning
• Opslag: mineraalreserve en opslag van vetten (geel beenmerg)
• Vorming bloedcellen: inwendige holte van beenderen zijn met rood beenmerg gevuld
→ aanmaak bloedcellen
• Bescherming
• Beweging
Soorten bindweefsel: bevatten veel celtussenstof met eventueel vezels
1. Bindweefsel in strikte zin: los en dicht (pezen) netwerk (+ vetweefsel)
• Fibroblasten en fibrocyten
• Intercellulaire substantie: vezels, basissubstantie
− Collageen: lang, recht en onvertakt. Sterk en buigzaam
− Elastisch: vertakt en gekromd. Na uitrekking eigen lengte terug
− Reticulair: dunner dan collageen. Vertakt en verweven raamwerk
2. Vloeibare bindweefsel: bloed en lymfe
3. Steunweefsel: kraakbeen en beenweefsel
Leerdoel 2: de bouw van botweefsel beschrijven, de verschillende soorten cellen en hun
functie, het periost en het beenmerg
Kraakbeenweefsel: stevige cel en bevat ingebedde vezels
• Chondroblasten/chondrocyten
• Via diffusie opnemen van voedingsstoffen en afgeven van afvalstoffen, GEEN
bloedvaten
• Intercellulaire substantie:
− Vezels: collageen + elastisch
− Basissubstantie
• Soorten:
− Hyalien: dicht opeengeplakte collagene vezels → taai en buigzaam
o Ribben en sternum, vertakkingen van luchtwegen
− Vezelig: collagene vezels, nauw verbonden → sterk
o Kussentjes binnen kniegewricht, tussenwervelschijven
− Elastisch: elastische vezels, veerkracht en buigzaam
o Oorschelp, strottenklepje
,OZT5
Botweefsel:
• Cellen:
− Osteoblasten: vormen nieuw bindweefsel (ossificatie)
− Osteocyten: volwassen botcellen, handhaven van botstructuur: calciumzouten
opnieuw gebruiken en bij herstel helpen
− Osteoclasten: regulering van calcium- en fosfaatconcentraties, afbreken van
botmatrix
• Intercellulaire substantie: organisch en anorganisch vast + enigszins buigzaam, veel
calciumzouten, bloedvaten → hoge stofwisseling
• Osteon/havers systeem: een kanaal binnen een osteon waaromheen concentrische
lagen, botcellen zitten. Bevat een of meer bloedvaten
• Periost (buitenoppervlak): ligt rondom het compacte bot
, OZT5
− Endost = binnenoppervlak
− Functie: pezen kunnen aan bot binden
• Beenmerg: sponsachtig, rode substantie
− Rode beenmerg: aanmaak bloedcellen
− Gele beenmerg: vetcellen
→ In loop van ontwikkeling rood → geel
Pijpbeenderen lang: femor, tibia, fibula, ulnaris
Pijpbeenderen kort: digiti, carpalia
Platte beenderen: schedel, sternum, heup
• Bevat rood beenmerg → aanmaak bloedcellen
Onregelmatige beenderen (door vorm): wervels
Bindweefselverbindingen:
• Membrana interossea: tussen fibula en tibia
• Radius en ulna, tandkassen
Synoviaal gewricht verbindingen: twee losse botten zijn met gewrichtskapsel verbonden.
Bevat een spleetje
• Knie, heup
• Bevat smeersel dat synovia heet
Kraakbeenverbindingen:
• Ribben en sternum, symphysis pubis
Leerdoel 3: het verschil tussen compact en spongieus bot beschrijven wat betreft structuur
en functie
Compact botweefsel: buitenkant
• Bevinden zich bloed- en lymfevaten
• Stevigheid in lengterichting
, OZT5
Spongieus botweefsel: binnenkant
• Stevigheid in lengte en breedte (minder sterk)
• Rood beenmerg: vormen bloedcellen
• Geel beenmerg: opslag vetcellen
Botweefsel is goed doorbloed
• Kan dus veel bloedverlies plaatsvinden
• Dynamisch: continue aanmaak van bot en afbraak van bot
• Botaanmaak stimuleren: bewegen
− Osteoporose (vaak bij ouderen) botaanmaak neemt af en minder calcium.
Belangrijk voor ouderen om te lopen dan komt er belasting op. Vitamine D
(zonlicht, supplementen)
Leerdoel 4: de botten van het skelet indelen op grond van hun vorm
Leerdoel 5: de soorten beenverbindingen op basis van de anatomie (bouw) beschrijven en
hiervan voorbeelden benoemen
Les 1 – Botweefsel en verbindingen
Leerdoel 1: de histologische kenmerken van de steunweefsels beschrijven
Hoofdgroepen weefsels:
• Epitheelweefsel
• Bindweefsel (steunweefsel):
• Spierweefsel:
• Zenuwweefsel:
Steunweefsel (bindweefsel): beschermen organen, bepalen hun vorm en onderlinge
beweeglijkheid
• Ondersteuning
• Opslag: mineraalreserve en opslag van vetten (geel beenmerg)
• Vorming bloedcellen: inwendige holte van beenderen zijn met rood beenmerg gevuld
→ aanmaak bloedcellen
• Bescherming
• Beweging
Soorten bindweefsel: bevatten veel celtussenstof met eventueel vezels
1. Bindweefsel in strikte zin: los en dicht (pezen) netwerk (+ vetweefsel)
• Fibroblasten en fibrocyten
• Intercellulaire substantie: vezels, basissubstantie
− Collageen: lang, recht en onvertakt. Sterk en buigzaam
− Elastisch: vertakt en gekromd. Na uitrekking eigen lengte terug
− Reticulair: dunner dan collageen. Vertakt en verweven raamwerk
2. Vloeibare bindweefsel: bloed en lymfe
3. Steunweefsel: kraakbeen en beenweefsel
Leerdoel 2: de bouw van botweefsel beschrijven, de verschillende soorten cellen en hun
functie, het periost en het beenmerg
Kraakbeenweefsel: stevige cel en bevat ingebedde vezels
• Chondroblasten/chondrocyten
• Via diffusie opnemen van voedingsstoffen en afgeven van afvalstoffen, GEEN
bloedvaten
• Intercellulaire substantie:
− Vezels: collageen + elastisch
− Basissubstantie
• Soorten:
− Hyalien: dicht opeengeplakte collagene vezels → taai en buigzaam
o Ribben en sternum, vertakkingen van luchtwegen
− Vezelig: collagene vezels, nauw verbonden → sterk
o Kussentjes binnen kniegewricht, tussenwervelschijven
− Elastisch: elastische vezels, veerkracht en buigzaam
o Oorschelp, strottenklepje
,OZT5
Botweefsel:
• Cellen:
− Osteoblasten: vormen nieuw bindweefsel (ossificatie)
− Osteocyten: volwassen botcellen, handhaven van botstructuur: calciumzouten
opnieuw gebruiken en bij herstel helpen
− Osteoclasten: regulering van calcium- en fosfaatconcentraties, afbreken van
botmatrix
• Intercellulaire substantie: organisch en anorganisch vast + enigszins buigzaam, veel
calciumzouten, bloedvaten → hoge stofwisseling
• Osteon/havers systeem: een kanaal binnen een osteon waaromheen concentrische
lagen, botcellen zitten. Bevat een of meer bloedvaten
• Periost (buitenoppervlak): ligt rondom het compacte bot
, OZT5
− Endost = binnenoppervlak
− Functie: pezen kunnen aan bot binden
• Beenmerg: sponsachtig, rode substantie
− Rode beenmerg: aanmaak bloedcellen
− Gele beenmerg: vetcellen
→ In loop van ontwikkeling rood → geel
Pijpbeenderen lang: femor, tibia, fibula, ulnaris
Pijpbeenderen kort: digiti, carpalia
Platte beenderen: schedel, sternum, heup
• Bevat rood beenmerg → aanmaak bloedcellen
Onregelmatige beenderen (door vorm): wervels
Bindweefselverbindingen:
• Membrana interossea: tussen fibula en tibia
• Radius en ulna, tandkassen
Synoviaal gewricht verbindingen: twee losse botten zijn met gewrichtskapsel verbonden.
Bevat een spleetje
• Knie, heup
• Bevat smeersel dat synovia heet
Kraakbeenverbindingen:
• Ribben en sternum, symphysis pubis
Leerdoel 3: het verschil tussen compact en spongieus bot beschrijven wat betreft structuur
en functie
Compact botweefsel: buitenkant
• Bevinden zich bloed- en lymfevaten
• Stevigheid in lengterichting
, OZT5
Spongieus botweefsel: binnenkant
• Stevigheid in lengte en breedte (minder sterk)
• Rood beenmerg: vormen bloedcellen
• Geel beenmerg: opslag vetcellen
Botweefsel is goed doorbloed
• Kan dus veel bloedverlies plaatsvinden
• Dynamisch: continue aanmaak van bot en afbraak van bot
• Botaanmaak stimuleren: bewegen
− Osteoporose (vaak bij ouderen) botaanmaak neemt af en minder calcium.
Belangrijk voor ouderen om te lopen dan komt er belasting op. Vitamine D
(zonlicht, supplementen)
Leerdoel 4: de botten van het skelet indelen op grond van hun vorm
Leerdoel 5: de soorten beenverbindingen op basis van de anatomie (bouw) beschrijven en
hiervan voorbeelden benoemen