Meso-economie
Hoofdstuk 1
Ondernemingen zetten hun producten af op markten. Vragers en aanbieders
communiceren op markten over hoeveelheid, kwaliteit en prijzen van producten.
Deze communicatie kan een heel directe vorm aannemen (van persoon tot
persoon), maar ook op wereldschaal plaatsvinden via moderne
communicatiemedia. Voor sommige producten bestaan alleen locale markten,
voor andere producten bestaan wereldmarkten. Op eenzelfde markt worden vaak
verschillende productvarianten aangeboden. Samen vormen ze een
productgroep, bestaande uit producten die dezelfde behoeften kunnen
bevredigen.
Ondernemingen behoren tot een bepaalde bedrijfstak. Zij brengen een aantal
producten voort waarmee zij op een bepaalde markt actief zijn. Zij concurreren
met hun bedrijfstakgenoten om het marktaandeel. Ondernemingen worden door
de Kamers van Koophandel en het CBS ingedeeld naar de producten die zij
voortbrengen. Daarvoor is een classificatie ontwikkeld bestaande uit secties,
afdelingen, bedrijfsgroepen, bedrijfsklassen en bedrijfstakken. Deze
standaardbedrijfsindeling geeft een beperkte informatie over met elkaar
concurrerende ondernemingen omdat geen informatie over lokale
marktafbakening en buitenlandse ondernemingen verstrekt wordt.
Bedrijfstakken behoren tot een bedrijfskolom. De ondernemingen die tot
verschillende geledingen van een bedrijfskolom behoren, concurreren met elkaar
om de winstmarge. Verschuivingen van de macht in een bedrijfskolom komen tot
uiting in verschuivingen in het waardesysteem van een product. Er is een trend
gaande die een grotere waarde legt bij de laatste schakels in de bedrijfskolom.
De segmentatie van markten en de grotere kennis die benodigd is voor
marktbewerking, leiden tot een grote waardetoevoeging in schakels van de
bedrijfskolom dicht bij de consument.
Bedrijfstakken behoren tot de primaire, secundaire dan wel tertiaire sector. De
schaalgrootte, de kapitaalgoederenvoorraad, de heterogeniteit van producten en
de productiewijze staan meestal in verband met de sector waartoe
ondernemingen behoren.
In het concurrentieproces is onderscheid aan te brengen tussen interne, externe
en potentiële concurrentie. Interne concurrentie is de wedijver tussen
bedrijfstakgenoten onderling om het marktaandeel. Externe concurrentie speelt
zich af tussen verschillende geledingen van de bedrijfskolom om de winstmarge.
Potentiële concurrentie is de dreiging van toetreders of van nieuwe producten in
de bedrijfstak.
De intensiteit van de concurrentie is afhankelijk van de concurrentiebepalende
factoren. Deze verschillen van bedrijfstak tot bedrijfstak. Daardoor is de felheid
van de concurrentie per bedrijfstak verschillend, hetgeen tot uiting komt in de
gemiddelde bedrijfstakwinst.
De factoren die de interne concurrentie bepalen zijn:
het aantal ondernemingen en de verschillen in grootte;
het aantal producten en de verschillen tussen de producten;
, Meso-economie
de kostenstructuur van het productieproces;
de technische ontwikkeling;
de concurrentie vanuit het buitenland.
De grootte en het aantal afnemers bepalen de externe concurrentie.
De externe concurrentie wordt bepaald door potentiële toetreders en
substituutproducten.
Ondernemingen binnen een bepaalde bedrijfstak kunnen aanmerkelijke
verschillen in winstgevendheid vertonen. Dit is een weerspiegeling van hun
concurrentiepositie. De concurrentiepositie is afhankelijk van het marktaandeel,
de ondernemingsgrootte of van speciale verworvenheden zoals een technische
voorsprong of een goed marketingconcept. Een groot marktaandeel kan door
hoge prijzen uitgebaat worden. Grote ondernemingen kunnen gebruikmaken van
schaalvoordelen, hetgeen een kostenmatigend effect heeft. Ondernemingen
hebben verder de mogelijkheid om speciale verworvenheden te beschermen met
patenten of geheimhouding.
Hoofdstuk 2
De behoeften van consumenten spelen een bijzondere rol in de economie omdat
uiteindelijk alle productie gericht is op consumptie. De vraag naar goederen en
diensten wordt direct of indirect beïnvloed door de vraagbepalende factoren.
Tot de vraagbepalende factoren behoren de behoeftepatronen van de gebruikers
die leiden tot een bepaald consumptiepatroon. Globaal genomen hebben alle
mensen behoefte aan goederen en diensten die het fysieke voortbestaan
garanderen. Daarnaast hebben mensen behoefte aan veiligheid, sociale relaties,
waardering en zelfontplooiing. Voor de bevrediging van deze behoeften bestaan
zoveel verschillende mogelijkheden dat de individuele consumptiepatronen
enorme verschillen vertonen. Markten raken steeds verder gesegmenteerd.
De ontwikkeling in consumptiepatronen is onderhevig aan allerlei factoren.
Demografische ontwikkelingen veroorzaken veranderingen in de afzet van
leeftijd- en opleidinggebonden producten. Trends in levensstijlen segmenteren
markten steeds verder, waarbij individualisering een allesoverheersende
ontwikkeling is.
Ten slotte beïnvloeden het klimaat en overheidsmaatregelen de consumptie in
verschillend opzicht.
De tweede vraagbepalende factor is de prijs van het product.
Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve,
verloopt dalend. Indien de prijs daalt, zullen consumenten minder andere
producten kopen. Bovendien kunnen zij met hun inkomen meer producten
kopen. Beide effecten hebben een grotere vraag tot gevolg.
Voor ondernemingen is de prijselasticiteit van de vraag belangrijk. Bij een
elastische vraag zal een prijsdaling een relatief grotere hoeveelheidsdaling
teweegbrengen. De omzet zal dalen. Bij een inelastische vraag heeft een
Hoofdstuk 1
Ondernemingen zetten hun producten af op markten. Vragers en aanbieders
communiceren op markten over hoeveelheid, kwaliteit en prijzen van producten.
Deze communicatie kan een heel directe vorm aannemen (van persoon tot
persoon), maar ook op wereldschaal plaatsvinden via moderne
communicatiemedia. Voor sommige producten bestaan alleen locale markten,
voor andere producten bestaan wereldmarkten. Op eenzelfde markt worden vaak
verschillende productvarianten aangeboden. Samen vormen ze een
productgroep, bestaande uit producten die dezelfde behoeften kunnen
bevredigen.
Ondernemingen behoren tot een bepaalde bedrijfstak. Zij brengen een aantal
producten voort waarmee zij op een bepaalde markt actief zijn. Zij concurreren
met hun bedrijfstakgenoten om het marktaandeel. Ondernemingen worden door
de Kamers van Koophandel en het CBS ingedeeld naar de producten die zij
voortbrengen. Daarvoor is een classificatie ontwikkeld bestaande uit secties,
afdelingen, bedrijfsgroepen, bedrijfsklassen en bedrijfstakken. Deze
standaardbedrijfsindeling geeft een beperkte informatie over met elkaar
concurrerende ondernemingen omdat geen informatie over lokale
marktafbakening en buitenlandse ondernemingen verstrekt wordt.
Bedrijfstakken behoren tot een bedrijfskolom. De ondernemingen die tot
verschillende geledingen van een bedrijfskolom behoren, concurreren met elkaar
om de winstmarge. Verschuivingen van de macht in een bedrijfskolom komen tot
uiting in verschuivingen in het waardesysteem van een product. Er is een trend
gaande die een grotere waarde legt bij de laatste schakels in de bedrijfskolom.
De segmentatie van markten en de grotere kennis die benodigd is voor
marktbewerking, leiden tot een grote waardetoevoeging in schakels van de
bedrijfskolom dicht bij de consument.
Bedrijfstakken behoren tot de primaire, secundaire dan wel tertiaire sector. De
schaalgrootte, de kapitaalgoederenvoorraad, de heterogeniteit van producten en
de productiewijze staan meestal in verband met de sector waartoe
ondernemingen behoren.
In het concurrentieproces is onderscheid aan te brengen tussen interne, externe
en potentiële concurrentie. Interne concurrentie is de wedijver tussen
bedrijfstakgenoten onderling om het marktaandeel. Externe concurrentie speelt
zich af tussen verschillende geledingen van de bedrijfskolom om de winstmarge.
Potentiële concurrentie is de dreiging van toetreders of van nieuwe producten in
de bedrijfstak.
De intensiteit van de concurrentie is afhankelijk van de concurrentiebepalende
factoren. Deze verschillen van bedrijfstak tot bedrijfstak. Daardoor is de felheid
van de concurrentie per bedrijfstak verschillend, hetgeen tot uiting komt in de
gemiddelde bedrijfstakwinst.
De factoren die de interne concurrentie bepalen zijn:
het aantal ondernemingen en de verschillen in grootte;
het aantal producten en de verschillen tussen de producten;
, Meso-economie
de kostenstructuur van het productieproces;
de technische ontwikkeling;
de concurrentie vanuit het buitenland.
De grootte en het aantal afnemers bepalen de externe concurrentie.
De externe concurrentie wordt bepaald door potentiële toetreders en
substituutproducten.
Ondernemingen binnen een bepaalde bedrijfstak kunnen aanmerkelijke
verschillen in winstgevendheid vertonen. Dit is een weerspiegeling van hun
concurrentiepositie. De concurrentiepositie is afhankelijk van het marktaandeel,
de ondernemingsgrootte of van speciale verworvenheden zoals een technische
voorsprong of een goed marketingconcept. Een groot marktaandeel kan door
hoge prijzen uitgebaat worden. Grote ondernemingen kunnen gebruikmaken van
schaalvoordelen, hetgeen een kostenmatigend effect heeft. Ondernemingen
hebben verder de mogelijkheid om speciale verworvenheden te beschermen met
patenten of geheimhouding.
Hoofdstuk 2
De behoeften van consumenten spelen een bijzondere rol in de economie omdat
uiteindelijk alle productie gericht is op consumptie. De vraag naar goederen en
diensten wordt direct of indirect beïnvloed door de vraagbepalende factoren.
Tot de vraagbepalende factoren behoren de behoeftepatronen van de gebruikers
die leiden tot een bepaald consumptiepatroon. Globaal genomen hebben alle
mensen behoefte aan goederen en diensten die het fysieke voortbestaan
garanderen. Daarnaast hebben mensen behoefte aan veiligheid, sociale relaties,
waardering en zelfontplooiing. Voor de bevrediging van deze behoeften bestaan
zoveel verschillende mogelijkheden dat de individuele consumptiepatronen
enorme verschillen vertonen. Markten raken steeds verder gesegmenteerd.
De ontwikkeling in consumptiepatronen is onderhevig aan allerlei factoren.
Demografische ontwikkelingen veroorzaken veranderingen in de afzet van
leeftijd- en opleidinggebonden producten. Trends in levensstijlen segmenteren
markten steeds verder, waarbij individualisering een allesoverheersende
ontwikkeling is.
Ten slotte beïnvloeden het klimaat en overheidsmaatregelen de consumptie in
verschillend opzicht.
De tweede vraagbepalende factor is de prijs van het product.
Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve,
verloopt dalend. Indien de prijs daalt, zullen consumenten minder andere
producten kopen. Bovendien kunnen zij met hun inkomen meer producten
kopen. Beide effecten hebben een grotere vraag tot gevolg.
Voor ondernemingen is de prijselasticiteit van de vraag belangrijk. Bij een
elastische vraag zal een prijsdaling een relatief grotere hoeveelheidsdaling
teweegbrengen. De omzet zal dalen. Bij een inelastische vraag heeft een