Bewegingsapparaat blok 2
Positie- en richtingsaanduidingen
Zie blz. 26 & 27
Namen belangrijkste botten
Zie skelettekening
Botverbindingen
- Onechte gewrichten
o Syndesmosen: bindweefselverbindingen
o Synchondrosen: kraakbeenverbindingen
o Synostosen: botverbindingen
- Echte gewrichten
o Diartrosen: gewrichten met verschillende mate van beweeglijkheid; indeling
op basis van:
▪ Vorm en gedaante gewrichtslichamen
▪ Aantal bewegingsassen
▪ Aantal vrijheidsgraden
o Amfiartrosen: straffe gewrichten: zeer geringe beweeglijkheid
Onderdelen van een gewricht
Gewrichtskapsel
Capsula Articularis:
Gewrichtskapsel bestaande uit het membrana fibrosa en het membrana synovialis.
Membrana fibrosa:
Membraan dat collageen bindweefsel bevat (zorgt voor stevigheid). Wisselende dikte en
heeft plaatselijke versterking door ligamenten (gewrichtsbanden).
Membrana synovialis:
Membraan dat vast is gegroeid met gewrichtskraakbeen. Produceert synovia
(gewrichtsvloeistof) dat zorgt voor smering gewricht en biedt daardoor dempende werking
aan gewricht. Daarnaast dient synovia als voeding voor gewricht.
,Hyalien kraakbeen:
Kraakbeen bestaande uit cellen: chondrocyten en blauwe tussenstof bestaande
uit collagene vezels. Kraakbeen bedekt gewrichtsoppervlakken. Biedt stevigheid
en vaak aan uiteinde botten.
Bewegingsruimte van een gewricht
Grenzen waarbinnen gewricht kan bewegen afhankelijk van vorm gewricht
(botten), spieren, ligamenten en delen waarmee gewricht in verbinding staat.
Bewegingsruimte dus ook door al deze factoren beperkt (zie afb. hiernaast):
a. Benige remming
b. Spierremming
c. Ligamenteuze remming
d. Remming door weke delen
Actieve en passieve gewrichtsstabilisatie (met als voorbeeld kniegewricht)
Kniegewricht wordt actief gestabiliseerd door m. quadriceps femoris en passief
hoofdzakelijk door dorsale banden van gewrichtskapsel (ligg. politea obliqua en
arcuata).
a. Mechanisch model: een last (lichaamsgewicht) leidt tot draaimoment in
gewricht. Ketting zorgt voor tegengewicht om naar voren vallen te
voorkomen.
b. Passieve stabilisering door ligg. politea obliqua en arcuata
c. Loodlijn ligt achter kniegewricht en dorsale banden hebben geen
nut meer
d. Actieve stabilisering van kniegewricht door m. quadriceps femoris
(aan voorkant)
Zie hiernaast bijbehorende afb.
Gewrichtsbewegingen verlopen volgens hefboomwet. Hoeveel kracht een spier op gewricht
kan overbrengen, afhankelijk van lengte betreffende hefboomarm. Deze wordt bepaald door
loodrechte afstand van bijbehorende pees tot draaipunt (= krachtarm). Daartegenover staat
lastarm: afstand van gewrichtsas (draaipunt) tot last. Grootte van de op een bepaald
moment inwerkende kracht wordt als product uit kracht x krachtarm, ofwel last x lastarm
berekend. Dit product draaimoment genoemd. Wanneer uitkomsten van beide identiek zijn,
bevindt gewricht zich in ruststand. Hefboom eenarmig wanneer spierkracht en last aan
dezelfde kant van draaipunt ‘aangrijpen’: a. Hefboom tweearmig wanneer kracht en last aan
verschillende kanten van draaipunt het lastarm aangrijpen: b. Zie afb. hieronder:
,Gewrichtsbelasting afhankelijk van grootte oppervlak dat kracht opvangt (kracht kan zich
dan beter verdelen).
Soorten gewrichten: BLZ 51!
Spiervormen: BLZ 59!
• Tweehoofdige spier
• Driehoofdige spier
• Vierhoofdige spier
• Tweebuikige spier
• Meerbuikige spier
• Kringspier
• Platte spier
Translatie- en rotatiebewegingen:
Bij translatiebewegingen beweegt lichaam zich langs rechte/gekromde lijn zonder te
draaien. Alle punten van lichaam doorlopen zelfde traject in dezelfde richting.
Bij rotatiebewegingen bewegen afzonderlijke punten langs concentrische cirkels, waarbij ze
verschillende trajecten doorlopen.
Bij beide soorten bewegingen spelen drie vrijheidsgraden rol die elk om x-, y- en z-as (zuid-
oost) draaien.
Glijden: rotatie zonder voortbewegingswinst van bewegingsassen. Punt gewrichtsoppervlak
raakt achtereenvolgens punten van ander gewrichtsoppervlak.
Rollen: rotatie met voortbewegingswinst van bewegingsassen. Oppervlak roterend
gewrichtselement rolt over gewrichtsoppervlak van ander gewrichtsoppervlak heen. Ieder
punt van gewrichtsoppervlak komt in aanraking met heel bepaald punt van ander
gewrichtsoppervlak (afgelegde afstand exact gelijk van lengte).
Verschil niet-gevederde spieren en gevederde spieren
Niet-gevederde spieren (spieren met parallelle vezels) Gevederde spieren
Vezels ongeveer in zelfde lengterichting pees Vezels staan in bepaalde vederingshoek t.o.v.
gehele kracht op pees overgedragen. lengterichting pees (tot 30 graden) en kunnen maar
gedeelte kracht op pees overbrengen.
Bij gebruik van spier is maximale spiervezelverkorting Maximale vezelverkorting (hefhoogte) die mogelijk is,
vrijwel identiek aan daadwerkelijke door vederingshoek groter dan daadwerkelijke
spiervezelverkorting. vezelverkorting bij gebruik van spier =
voortbewegingswinst.
Anatomische dwarsdoorsnede (loodrecht op lengteas Fysiologische dwarsdoorsnede groter dan
spier op dikste plaats) en fysiologische anatomische dwarsdoorsnede: aan pees kunnen, door
dwarsdoorsnede (loodrecht op lengteas vezels) hoek, meer vezels aanhechten dan bij spier met
vrijwel gelijk. parallelle vezels hefkracht neemt toe, want die
hangt af van omvang fysiologische dwarsdoorsnede.
, Opbouw skeletspier; bindweefsel heeft vorm van hulzen met volgende taken:
• Endomysium
o Binnenste bindweefselhuls
▪ Belangrijk voor scheurbestendigheid
▪ Bevat eindtakken van motorische axonen naar motorische
eindplaatjes en talrijke haarvaten (capillairen)
• Zijn van groot belang voor bloedvoorziening
▪ Voegt spiercellen samen tot primaire bundels
• Perimysium
o Bindweefsel waarin spierbundel ligt
▪ Belangrijk voor overbrengen trekkracht spier op pees
▪ Voegt bundels samen tot secundaire bundels
• Epimysium
o Losse bindweefsellaag onder spierfascie (bindweefsel rond spieren)
o Vormt verbinding met spier
Hieronder afbeelding skeletspier:
Bouw van spierpees:
Positie- en richtingsaanduidingen
Zie blz. 26 & 27
Namen belangrijkste botten
Zie skelettekening
Botverbindingen
- Onechte gewrichten
o Syndesmosen: bindweefselverbindingen
o Synchondrosen: kraakbeenverbindingen
o Synostosen: botverbindingen
- Echte gewrichten
o Diartrosen: gewrichten met verschillende mate van beweeglijkheid; indeling
op basis van:
▪ Vorm en gedaante gewrichtslichamen
▪ Aantal bewegingsassen
▪ Aantal vrijheidsgraden
o Amfiartrosen: straffe gewrichten: zeer geringe beweeglijkheid
Onderdelen van een gewricht
Gewrichtskapsel
Capsula Articularis:
Gewrichtskapsel bestaande uit het membrana fibrosa en het membrana synovialis.
Membrana fibrosa:
Membraan dat collageen bindweefsel bevat (zorgt voor stevigheid). Wisselende dikte en
heeft plaatselijke versterking door ligamenten (gewrichtsbanden).
Membrana synovialis:
Membraan dat vast is gegroeid met gewrichtskraakbeen. Produceert synovia
(gewrichtsvloeistof) dat zorgt voor smering gewricht en biedt daardoor dempende werking
aan gewricht. Daarnaast dient synovia als voeding voor gewricht.
,Hyalien kraakbeen:
Kraakbeen bestaande uit cellen: chondrocyten en blauwe tussenstof bestaande
uit collagene vezels. Kraakbeen bedekt gewrichtsoppervlakken. Biedt stevigheid
en vaak aan uiteinde botten.
Bewegingsruimte van een gewricht
Grenzen waarbinnen gewricht kan bewegen afhankelijk van vorm gewricht
(botten), spieren, ligamenten en delen waarmee gewricht in verbinding staat.
Bewegingsruimte dus ook door al deze factoren beperkt (zie afb. hiernaast):
a. Benige remming
b. Spierremming
c. Ligamenteuze remming
d. Remming door weke delen
Actieve en passieve gewrichtsstabilisatie (met als voorbeeld kniegewricht)
Kniegewricht wordt actief gestabiliseerd door m. quadriceps femoris en passief
hoofdzakelijk door dorsale banden van gewrichtskapsel (ligg. politea obliqua en
arcuata).
a. Mechanisch model: een last (lichaamsgewicht) leidt tot draaimoment in
gewricht. Ketting zorgt voor tegengewicht om naar voren vallen te
voorkomen.
b. Passieve stabilisering door ligg. politea obliqua en arcuata
c. Loodlijn ligt achter kniegewricht en dorsale banden hebben geen
nut meer
d. Actieve stabilisering van kniegewricht door m. quadriceps femoris
(aan voorkant)
Zie hiernaast bijbehorende afb.
Gewrichtsbewegingen verlopen volgens hefboomwet. Hoeveel kracht een spier op gewricht
kan overbrengen, afhankelijk van lengte betreffende hefboomarm. Deze wordt bepaald door
loodrechte afstand van bijbehorende pees tot draaipunt (= krachtarm). Daartegenover staat
lastarm: afstand van gewrichtsas (draaipunt) tot last. Grootte van de op een bepaald
moment inwerkende kracht wordt als product uit kracht x krachtarm, ofwel last x lastarm
berekend. Dit product draaimoment genoemd. Wanneer uitkomsten van beide identiek zijn,
bevindt gewricht zich in ruststand. Hefboom eenarmig wanneer spierkracht en last aan
dezelfde kant van draaipunt ‘aangrijpen’: a. Hefboom tweearmig wanneer kracht en last aan
verschillende kanten van draaipunt het lastarm aangrijpen: b. Zie afb. hieronder:
,Gewrichtsbelasting afhankelijk van grootte oppervlak dat kracht opvangt (kracht kan zich
dan beter verdelen).
Soorten gewrichten: BLZ 51!
Spiervormen: BLZ 59!
• Tweehoofdige spier
• Driehoofdige spier
• Vierhoofdige spier
• Tweebuikige spier
• Meerbuikige spier
• Kringspier
• Platte spier
Translatie- en rotatiebewegingen:
Bij translatiebewegingen beweegt lichaam zich langs rechte/gekromde lijn zonder te
draaien. Alle punten van lichaam doorlopen zelfde traject in dezelfde richting.
Bij rotatiebewegingen bewegen afzonderlijke punten langs concentrische cirkels, waarbij ze
verschillende trajecten doorlopen.
Bij beide soorten bewegingen spelen drie vrijheidsgraden rol die elk om x-, y- en z-as (zuid-
oost) draaien.
Glijden: rotatie zonder voortbewegingswinst van bewegingsassen. Punt gewrichtsoppervlak
raakt achtereenvolgens punten van ander gewrichtsoppervlak.
Rollen: rotatie met voortbewegingswinst van bewegingsassen. Oppervlak roterend
gewrichtselement rolt over gewrichtsoppervlak van ander gewrichtsoppervlak heen. Ieder
punt van gewrichtsoppervlak komt in aanraking met heel bepaald punt van ander
gewrichtsoppervlak (afgelegde afstand exact gelijk van lengte).
Verschil niet-gevederde spieren en gevederde spieren
Niet-gevederde spieren (spieren met parallelle vezels) Gevederde spieren
Vezels ongeveer in zelfde lengterichting pees Vezels staan in bepaalde vederingshoek t.o.v.
gehele kracht op pees overgedragen. lengterichting pees (tot 30 graden) en kunnen maar
gedeelte kracht op pees overbrengen.
Bij gebruik van spier is maximale spiervezelverkorting Maximale vezelverkorting (hefhoogte) die mogelijk is,
vrijwel identiek aan daadwerkelijke door vederingshoek groter dan daadwerkelijke
spiervezelverkorting. vezelverkorting bij gebruik van spier =
voortbewegingswinst.
Anatomische dwarsdoorsnede (loodrecht op lengteas Fysiologische dwarsdoorsnede groter dan
spier op dikste plaats) en fysiologische anatomische dwarsdoorsnede: aan pees kunnen, door
dwarsdoorsnede (loodrecht op lengteas vezels) hoek, meer vezels aanhechten dan bij spier met
vrijwel gelijk. parallelle vezels hefkracht neemt toe, want die
hangt af van omvang fysiologische dwarsdoorsnede.
, Opbouw skeletspier; bindweefsel heeft vorm van hulzen met volgende taken:
• Endomysium
o Binnenste bindweefselhuls
▪ Belangrijk voor scheurbestendigheid
▪ Bevat eindtakken van motorische axonen naar motorische
eindplaatjes en talrijke haarvaten (capillairen)
• Zijn van groot belang voor bloedvoorziening
▪ Voegt spiercellen samen tot primaire bundels
• Perimysium
o Bindweefsel waarin spierbundel ligt
▪ Belangrijk voor overbrengen trekkracht spier op pees
▪ Voegt bundels samen tot secundaire bundels
• Epimysium
o Losse bindweefsellaag onder spierfascie (bindweefsel rond spieren)
o Vormt verbinding met spier
Hieronder afbeelding skeletspier:
Bouw van spierpees: