vermogen
Praktijkleren 3
Student: Kim Hoksbergen
Afdeling: D5 West Divisie Heelkundige Specialismen
Begeleiders:
Stagedocent:
Datum: 22 januari 2018
1
,Inhoudsopgave
Inhoudsopgave........................................................................................................... 2
Samenvatting............................................................................................................. 2
Probleemanalyse (inleiding)....................................................................................... 4
Resultaten.................................................................................................................. 9
Discussie.................................................................................................................. 14
Conclusie.................................................................................................................. 16
Bijlagen..................................................................................................................... 19
Bijlage 1: HU beoordelingslijst wetenschappelijke onderzoekspublicaties............19
Bijlage 2: Beoordelingsformulieren presentatie.....................................................28
Literatuurlijst............................................................................................................ 35
Samenvatting
De samenvatting is geschreven conform een format.
2
,Probleemomschrijving
Een veelvoorkomend probleem na een operatie is postoperatieve urineretentie,
voornamelijk bij orthopedische operaties. Eenmalig katheteriseren is de standaard
behandeling voor postoperatieve urineretentie. Onbehandelde postoperatieve
urineretentie kan resulteren in verblijvende schade aan de urinewegen. Op dit moment
wordt een afkappunt van 500 ml gebruikt bij het eenmalig postoperatief katheriseren.
Maar verbazingwekkend is er geen bewijs voor een “veilige” maximale blaascapaciteit
onder de chirurgische patiënten.
Onderzoeksvraag
In welke mate geeft een afkappunt van 600 ml of meer een vermindering in het aantal
postoperatieve eenmalige katherisaties en urologische complicaties bij postoperatieve
patiënten?
Zoekstrategie
Voor dit onderzoek is een literatuurstudie uitgevoerd. De artikelen zijn door middel van een
zoekplan verzameld.
Kritische beoordeling (betrouwbaarheid)
De artikelen zijn door middel van de HU beoordelingslijsten wetenschappelijke publicaties
beoordeeld en geanalyseerd
Resultaten
Een afkappunt van 800 ml is vergeleken met een afkappunt van 500 ml voor het postoperatief
katerhiseren bij patiënten die een totale knie- of heuppoperatie gingen. Het aantal katerhisaties
in de 800 ml groep (49 van 367 [13,4%]) was lager ten opzichte van het aantal katerhisaties in
de 500 ml groep (114 van 354 [32,2%]).
Ook het risico op herhaling van de katherisaties was significant verminderd in de 800 ml groep.
Geen significant verschil was gevonden tussen de twee groepen in de IPSS score (P =
0.9787). Het aantal opgelopen urineweginfecties binnen 30 dagen postoperatief was in beide
groepen gelijk (7 van 354 [2%] versus 8 van 367 [2%]; P = 1.0).
Een afkappunt van 500 ml is vergeleken met de indiviuele maxmale blaascapaciteit van
chirurgische patiënten als afkappunt. Het aantal katherisaties in de controle groep (afkappunt
500 ml) waren 107 van 909 (11,8%) versus 80 van 931 (8,6%) in de index groep (indivuduele
maximale blaascapaciteit als afkappunt).
Het niet plassen voor de operatie, spinale anesthsie, operatie duur van langer dan 2 uur en een
spoedoperatie zijn significant riscofactoren voor het ontwikkelen van postoperatieve
urineretentie.
De non-postoperatieve urineretentie groep (N = 213) is vergeleken met de postoperatieve
urineretentie groep (N = 73). De postoperative urineretentie groep had significant een groter
aantal patiënten met preoperatieve risicofactoren, het bloedverlies tijdens de operatie en de
bloedtransfusie was ook groter en tevens waren het aantal urineweginfecties groter (9,6%
versus 3,8%).
Conclusie
Een katheterisatie afkappunt van 800 ml is voor orthopedische patiënten die een totale knie- of
3
,heupoperatie zijn ondergaan veilig. Bij de overige chirurgische heeft het gebruik van de
individuele maximale blaascapaciteit in plaats van afkappunt van 500 ml het aantal
postoperatieve katheterisaties verminderd.
Er zijn een aantal factoren die het risico op postoperatieve urineretentie vergroten zoals,
medische en chirurgische co-morbiditeit, type van anesthesie en pijnstilling, perioperatieve
vochttoediening, hoe postoperatieve urineretentie wordt gediagnosticeerd en patiënten die
minder fit en ouder zijn.
Toepassing in de praktijk
De resultaten uit deze onderzoeken zijn toepasbaar in de hedendaagse praktijk. De
patiëntencategorie, zorgmedewerkers en setting sluiten aan.
Aanbeveling
Vervolg onderzoek zal nodig zijn om algehele versus spinale anesthesie te vergelijken met
betrekking tot het ontwikkelen van postoperatieve urineretentie.
Literatuurlijst
De volgende vier wetenschappelijker artikelen zijn gebruikt voor deze literatuurstudie:
Balderi, T.,Mistraletti, G., Angelo, E. & Carli, F. (2011). Incidence of postoperatieve urinary
retention (POUR) after joint arthroplasty and mangement using ultrasound-guided
bladder catherization. Minerva Anestesiologica, 8.
Bjerregaard, L., Hornum, U., Troldburg, C., Bogoe, S., Bagi P. & Kehlet, H. (2016).
Postoperative Urinary Catherization Thresholds of 500 versus 800 ml after Fast-track
Total Hip and Knee Athroplasty. Anesthesiology, 9.
Brouwer, T. e. (2015). Postoperative Bladder Catherization Based on Individual Bladder
Capacity. Anesthesiology, 9.
Hansen, B., Soreide E., Warland, A. & Nilsen, O. (2011). Risk factors of post-operative urinary
retention in hospitalised patients. Acta Anaesthesiologica Scandinavic, 4.
Probleemanalyse (inleiding)
Een veelvoorkomend probleem na een operatie is postoperatieve urineretentie (Tammela,
Kontturi & Lukkarinen, 1986). Dit kan voorkomen na elke operatie, maar het komt voornamelijk
voor bij orthopedische operaties (Bjerregaard et al., 2016).
Postoperatieve urineretentie wordt bereikt wanneer de individuele maximale blaascapaciteit
wordt overschreden. Eenmalig katheteriseren is de standaard behandeling voor postoperatieve
4
, urineretentie. Onbehandelde postoperatieve urineretentie kan resulteren in verblijvende schade
aan de urinewegen en kan preventief opgelost worden door tijdig de blaasinhoud te meten met
de bladderscan. Maar verbazingwekkend is er geen bewijs voor een “veilige” maximale
blaascapaciteit onder de chirurgische patiënten en dit verschilt tevens per patiënt. Op dit
moment wordt meestal een afkappunt variërend van 400 tot 600 ml gehanteerd (Brouwer et al.,
2015).
Nadat de patiënten voor een operatie zijn geweest en terug op de afdeling komen, hanteren wij
het postoperatieve UMC protocol. Hierin staat vermeldt dat de patiënt binnen 6 uur na de
operatie spontane mictie gehad moet hebben [ CITATION van17 \l 1043 ]. Het protocol van de
afdeling urologie vermeldt tevens dat patiënt met spinale of algehele anesthesie binnen 6 uur na
de operatie geurineerd moet hebben. Wanneer dit niet binnen 6 uur gebeurt en de patiënt niet
spontaan kan urineren, wordt de blaasinhoud bepaald met een bladderscan. Wanneer er minder
dan 500 ml in de blaas zit en de patiënt geen aandrang voelt, wordt er afgewacht en later
nogmaals de blaasinhoud bepaald met de bladderscan. Wanneer er in de blaas 500 ml of meer
in zit, wordt er eenmalig gekatheteriseerd [ CITATION ter17 \l 1043 ].
Op dit moment bezit de afdeling geen bladderscan, omdat dit “probleem” niet veel voorkomt op
de afdeling en de patiënten vaak al een verblijfskatheter hebben gekregen tijdens de operatie of
op de recovery. Toch vond ik dit een interessant onderwerp, omdat wij een chirurgische afdeling
zijn en de meeste operaties van de plastische chirurgie en orthopedie vrij lang duren. Onlangs
in april 2017 heeft de Nursing een onderzoek gedaan naar het afkappunt van postoperatief
eenmalig katheteriseren [ CITATION Nur17 \l 1043 ].
Om dit afkappunt te kunnen beoordelen, is het belangrijk om hier onderzoek naar te doen en de
voor- en nadelen tegen elkaar op te wegen.
De aandrang om te plassen wordt vaak al gevoeld rond de 300 ml. Pseudo primaire blaas-
atonie volgt vaak op na een operatie. De patiënten hebben narcose gehad en blijven daardoor
enige tijd suffig. De patiënt gaat pas vaak urineren als de blaas overvol is. Als de overrekking te
lang duurt, fors is en niet wordt herkend, bestaat de kans op “overflow mictie”. De blaas die
acuut overrekt is door een operatie, kan zich vaak na drainage zich weer herstellen, maar dit is
niet altijd het geval. Er kan een blijvende pseudo primaire blaas-antonie ontstaan [ CITATION
Hou68 \l 1043 ]. Het is bekend dat chronische overrekking van de blaas op langer termijn
schade kan aanbrengen aan de functie van de blaas en plasproblemen. Overrekking vermindert
de bloedtoevoer in de blaaswand en veroorzaakt schade aan de zenuwvezels (Tammela et al.,
1986). De detrustorspier (een spier die rondom de blaas ligt) kan beschadigd raken en dit kan
leiden tot het niet meer spontaan kunnen urineren, vooral wanneer de overrekking van de blaas
twee tot drie uur overtreft. Aan de andere kant wordt eenmalig katheriseren het liefst vermeden
onder de patiënten. De blaas katheriseren kost geld, verpleegkundige tijd en kan complicaties
met zich meebrengen zoals trauma en infectie van de urinewegen (Brouwer et al., 2015).
Onderzoeksvraag: In welke mate geeft een afkappunt van 600 ml of meer een vermindering in
het aantal postoperatieve eenmalige katherisaties bij en urologische complicaties bij
postoperatieve patiënten?
Doelstelling: Inzicht krijgen in het aantal postoperatieve eenmalige katherisaties en urologische
complicaties door een afkappunt van 600 ml of meer te hanteren bij postoperatieve patiënten.
P Postoperatieve patiënten die binnen zes uur na een operatie geen spontane mictie
hebben gehad
I Eenmalig katheriseren bij 500 ml urineretentie
5