Doelstellingen week 5
a. De student kan de BMI uitrekenen, de vetverdeling beschrijven, de mate van obesitas
classificeren en het daaraan verbonden risico voor ziekte beschrijven:
Het BMI (= body mass index) is de massa naar de lengte. Dit wordt berekend door het
gewicht van een persoon te delen door de lengte in het kwadraat. Oftewel:
gewicht
BMI =
leng t e 2
De lengte is hierbij in meters en het gewicht in kg. Een gezonde BMI is tussen de 18,5 en 25.
Daarboven is er sprake van overgewicht en boven de 30 is er sprake van obesitas. Onder de
18,5 is er sprake van ondergewicht.
Vooral buikvet verhoogt de kans op ziekten als hart- en vaatziekten en diabetes. Ook is er een
verhoogde kans op bepaalde vormen van kanker zoals borstkanker en colonkanker.
Bij obesitas zijn er niet meer vetcellen, maar alleen grotere vetcellen.
b. De student kan een aantal kenmerken van de epidemiologie van obesitas beschrijven:
Steeds meer mensen in Nederland krijgen te maken met obesitas. Dit komt onder andere
door minder bewegen en makkelijker aan ongezond eten kunnen komen. Ook is 40-70%
erfelijk bepaald. Als er steeds meer mensen zijn die obees zijn, geven ook steeds meer
mensen dat door aan hun kinderen. In 2016 had bijna 50% overgewicht van alle volwassen
Nederlanders.
c. De student kan aangeven welke ziekten en complicaties samenhangen met obesitas:
Als je obesitas hebt, is er een grote kans op het krijgen van diabetes mellitus type 2. Er is
continu zo’n hoge bloedsuikerspiegel dat insuline op een gegeven moment zo weinig meer
uitvoert dat er hyperglycemie is ondanks de insuline die door het lichaam wordt gemaakt.
Dan is er sprake van diabetes. Ook is er grote kans op aderverkalking door het vele
cholesterol en hierdoor hart- en vaatziekten. Verder krijgen mensen met diabetes sneller
kanker. Verder ontstaat er een hoge bloeddruk, psychosociale problemen etc.
d. De student kan uitleggen wat wordt verstaan onder het metabool syndroom en de
pathofysiologie hiervan beschrijven:
Abdominaal vetweefsel:
- Lekt vrije vetzuren glucosegehalte omhoog (gluconeogenese in lever) insulinegehalte
omhoog insulineresistentie diabetes door bèta-cel dysfunctie lipotoxictiteit en
glucotoxiciteit
- Lekt vrije vetzuren lever produceert meer LDL/VLDL/TG en minder HDL waardoor
cholesterolgehalte in bloed toeneemt dyslipedimie
- Leptinegehalte omhoog sympaticus wil meer actie hartfrequentie omhoog hypertensie
H2O + Na resorptie omhoog in de nieren
- Adipocytokinen nemen toe (IL6) bijdrage aan insulineresistentie
Oftewel, alle ellende begint met een teveel aan abdominaal vetweefsel waardoor vrije
vetzuren door het lichaam gaan dwalen en dit alles veroorzaken. Vetweefsel op andere
plekken hoeft niet per se deze klachten te veroorzaken.
Bij dit alles geldt: hoe lager het LDL, hoe beter. En hoe meer buikvet, des te meer ellende.