Modus ( = Meest voorkomende waarde):
Voordelen:
o Makkelijk te bepalen
o Kan ook voor elke variabele gebruikt worden: ook nominaal meetniveau
Nadelen:
o Mogelijk meer dan één modus (bimodaal of multimodaal)
o Bij lage kurtosis / puntigheid kunnen een paar waarnemingen de waarde van de
modus al beïnvloeden
o Zegt weinig over de hele scoreverdeling
Mediaan ( = Middelste waarde in frequentieverdeling):
Voordelen:
o Wordt niet sterk beïnvloed door:
Extreme scores
Scheefheid van de verdeling
Nadelen:
o Kleine steekproefstabiliteit
o Weinig rekenkundige mogelijkheden
o Het meetniveau van de variabele moet minimaal ordinaal zijn.
Gemiddelde ( = Som van observaties / aantal observaties):
Voordelen:
o Meest gebruikte maat
o Elke score wordt gebruikt
o Veel rekenkundige mogelijkheden
Nadelen:
o Gevoelig voor outliers en de scheefheid van de verdeling
o Het meetniveau van de variabele moet interval / ratio zijn
Bereik / Range ( = Verschil tussen hoogste en laagste waarde):
Bereik: Interval noemen “Lengte ligt tussen 156 en 199 cm”
Range / Spreidingsbreedte: Hoogste – laagste waarde “199-156=43 cm”
Extreem gevoelig voor outliers
Sum of Squared Errors ( = Indicatie van totale spreiding van een variabele):
Het doel is om te kijken naar afwijkingen van elke score ten
opzichte van het gemiddelde ( = deviantie)
Hiervoor moet je alle afwijkingen kwadrateren en dan optellen
Het probleem hiermee is dat des te groter de N is, des te hoger de SS
Variantie ( = Gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde):
Het doel is om de gemiddelde afwijking van de data tot het
gemiddelde te bekijken
Het probleem hiermee is dat een gekwadrateerde maat erg lastig te interpreteren is