7.1
Vermogensmarkt : geheel van vraag naar en aanbod van vermogen.
Vragers :
Bedrijven en niet-commerciële organisaties nodig om taak uit te voeren. Als de
organisatie niet voldoende geld heeft moet het van buiten worden aangetrokken.
Banken nodig voor bankiersfunctie. Trekken aan van spaarders / bedrijven, die
geld op een rekening parkeren. Dat leent de bank uit.
Overheid heeft vrijwel elk jaar een begrotingstekort. Daarom moet de overheid
lenen.
Gezinnen nodig voor huis en duurzame consumptiegoederen zoals auto. Ook om
tijdelijk tekort op te vangen.
Aanbieders :
Banken lenen geld uit aan bedrijven, overheid en consumenten. Kan door
langlopende rekeningen maar ook door rood staan toe te staan.
Bedrijven en niet-commerciële organisaties als particuliere bedrijven, verenigingen
en stichtingen geld overhebben kunnen ze het uitlenen, beleggen of op
spaarrekening zetten.
Overheid overheidsinstellingen hebben weleens tijdelijk geld over. Dat kunnen ze
parkeren bij banken.
Institutionele beleggers is een organisatie die door haar taak te beschikken heeft
over veel geld (pensioenfonds / verzekeringsmaatschappij). Ze ontvangen veel
premie. Om later pensioenen en uitkeringen te kunnen betalen moeten ze
premiegelden verantwoord beleggen.
Gezinnen als er geld over is, zetten ze dat op spaarrekening. Ook kan een
gezinslid beleggen om bijv. extra pensioen te sparen.
De vermogensmarkt bestaat uit 2 markten :
1. Kapitaalmarkt vraag en aanbod van vermogen met looptijd langer dan 2 jaar
2. Geldmarkt vraag en aanbod van vermogen met looptijd korter dan 2 jaar
Grens van 2 jaar is niet altijd zo duidelijk. Soms wordt een termijn van 1 jaar gehanteerd voor
de geldmarkt.
, 7.2
Kapitaalmarkt : omvat de totale vraag naar en het totale aanbod van financieringsmiddelen
met een looptijd langer dan 2 jaar.
Belangrijke financieringsmogelijkheden op de kapitaalmarkt zijn :
Aandelen een deelname in het ev van een bedrijf. Eigenaren van aandelen
hebben ze voor zeggenschap in bedrijf, dividend of om de aandelen later met winst te
verkopen. Het aandelenvermogen is voor de onderneming permanent vermogen dat
in de onderneming blijft (in tegenstelling tot een lening). Nv’s en bv’s die geld nodig
hebben kunnen aandelen uitgeven.
Obligatielening langlopende lening die is verdeeld in kleine delen. Iemand die
een obligatie koopt krijgt periodiek een vast % interest. Aan het eind van de looptijd of
tussentijds wordt de obligatie afgelost. Bedrijven geven dit uit om investeringen te
financieren. De belangrijkste uitgever in NL is de Staat (DSL) ; om
financieringstekorten te dekken.
Onderhandse lening langlopende lening tussen 1 lener en 1 gever, die onderling
de omvang, hoogte van interest, looptijd, aflossingsvoorwaarden en overige
voorwaarden bepalen. Bijv. tussen gezinnen of vrienden. Ook bedrijven lenen elkaar
geld. Gemeenten lenen onderhands geld van banken.
Hypothecaire lening lening met een registergoed of onroerende zaak, zoals
huis / bedrijfsgebouw, als onderpand. De geldnemer betaalt interest en aflossing. Als
hij de lening niet kan aflossen mag de gever het onderpand verkopen.
Door afsluiten van een lening of plaatsen van aandelen ontstaan kosten.
Financieringkosten zijn kosten die samenhangen met aantrekken van geld. Bijv.
interestkosten, administratiekosten, afsluitprovisie die je aan de bank betaalt, emissiekosten,
kosten voor bemiddeling door tussenpersonen, taxatiekosten.
De geldvrager moet bij keuze tussen financieringsmogelijkheden goed naar de totale
financieringskosten kijken, de hoogte kan namelijk flink verschillen.
7.3
Op de effectenbeurs worden waardepapieren verhandeld, bijv. obligaties en aandelen.
Als aandeelhouder heb je zeggenschap in een onderneming, als obligatie ben je slechts
schuldeiser.
Er worden ook derivaten verhandeld : effecten die zijn afgeleid van andere effecten.
Een optie bijv. is afgeleid van een aandeel : een optie op aandelen geeft de houder recht om
op een bepaald moment een bepaald aantal aandelen tegen een van tevoren
overeengekomen prijs te kopen (callopties) of te verkopen (putopties).