Tips
Tip 1:
Maak multiple choice vragen voor elkaar.
Vaak oefententamens maken.
Probeer hierdoor de stof door te nemen.
Tip 2:
Probeer een vraag binnen 2 à 3 minuten te beantwoorden.
Tip 3:
Let goed op of gevraagd wordt naar onjuist of juist.
Zoek de sleuteltermen en schrijf deze op het kladblaadje.
Begrijp je de vraag niet, kijk of je hem anders kunt formuleren.
Je antwoord moet ook wel echt de vraag beantwoorden. Soms is een antwoord feitelijk wel
correct, maar is het geen antwoord op de vraag.
Woorden in antwoorden als ‘nooit’, ‘altijd‘, ‘iedereen’, ‘ niemand’ zijn generalistische
termen.
Tip 4 Het ronde Systeem:
1. Vul eerst de gemakkelijke vragen in. Even overslaan wat je nog niet weet.
2. Vul in de tweede rond de moeilijke vragen in. Even overslaan de zeer moeilijke
vragen.
3. Vul in de derde ronde de zeer moeilijke vragen in. Vul uiteindelijk alles in.
Tip 5
Probeer eerst zelf een antwoord te bedenken op de vraag;
Kijk dus niet direct naar de gegeven antwoorden. Kies
Tip 6
1. Een antwoord is onjuist.
2. De tweede blijkt met enig nadenken niet juist te zijn.
3. Bepaal nu welke van de twee het beste de vraag beantwoordt.
- Zoek sleutelwoorden.
- Het gaat om het beste antwoord; het hoeft niet perfect zijn. De andere
antwoorden zijn af en toe “echt” onzin, af en toe alleen maar “minder juist”.
- Vraag jezelf af wat nu eigenlijk het verschil is tussen deze twee antwoorden.
Tip 7
Controleer je antwoorden nog een keertje (rustig).
Let op: wees voorzichtig met het aanpassen van je antwoord.
Verander je antwoord alleen wanneer je er honderd procent zeker van bent.
Wanneer je weet dat je beter bent in het maken van open vragen, dan zou je kunnen
overwegen om die eerst te beantwoorden.
Wanneer je het echt niet weet, bewaar de vraag tot het einde. Multiple choice vragen geven
veel informatie.
Tip 1:
Maak multiple choice vragen voor elkaar.
Vaak oefententamens maken.
Probeer hierdoor de stof door te nemen.
Tip 2:
Probeer een vraag binnen 2 à 3 minuten te beantwoorden.
Tip 3:
Let goed op of gevraagd wordt naar onjuist of juist.
Zoek de sleuteltermen en schrijf deze op het kladblaadje.
Begrijp je de vraag niet, kijk of je hem anders kunt formuleren.
Je antwoord moet ook wel echt de vraag beantwoorden. Soms is een antwoord feitelijk wel
correct, maar is het geen antwoord op de vraag.
Woorden in antwoorden als ‘nooit’, ‘altijd‘, ‘iedereen’, ‘ niemand’ zijn generalistische
termen.
Tip 4 Het ronde Systeem:
1. Vul eerst de gemakkelijke vragen in. Even overslaan wat je nog niet weet.
2. Vul in de tweede rond de moeilijke vragen in. Even overslaan de zeer moeilijke
vragen.
3. Vul in de derde ronde de zeer moeilijke vragen in. Vul uiteindelijk alles in.
Tip 5
Probeer eerst zelf een antwoord te bedenken op de vraag;
Kijk dus niet direct naar de gegeven antwoorden. Kies
Tip 6
1. Een antwoord is onjuist.
2. De tweede blijkt met enig nadenken niet juist te zijn.
3. Bepaal nu welke van de twee het beste de vraag beantwoordt.
- Zoek sleutelwoorden.
- Het gaat om het beste antwoord; het hoeft niet perfect zijn. De andere
antwoorden zijn af en toe “echt” onzin, af en toe alleen maar “minder juist”.
- Vraag jezelf af wat nu eigenlijk het verschil is tussen deze twee antwoorden.
Tip 7
Controleer je antwoorden nog een keertje (rustig).
Let op: wees voorzichtig met het aanpassen van je antwoord.
Verander je antwoord alleen wanneer je er honderd procent zeker van bent.
Wanneer je weet dat je beter bent in het maken van open vragen, dan zou je kunnen
overwegen om die eerst te beantwoorden.
Wanneer je het echt niet weet, bewaar de vraag tot het einde. Multiple choice vragen geven
veel informatie.