1. Bewijs
- Art. 350 Sv:
o Alles in het Strafvordering begint bij het artikel 350 Sv. Dit mondt uiteindelijk in
een rechtszaak en de rechter zal op basis van de materiele vragen - die in het
artikel 350 Sv - staan een beslissing moeten nemen.
o De rechter krijgt de opdracht om te beslissen o.b.v. datgene wat hij ter zitng
heeft gezien.
De eerste vraag die hij moet beantwoorden is (1) of hij vindt dat de
tenlastelegging is bewezen?
De volgende vraag is (2) hoe moet de rechter dat bewijzen? Aan de
hand van bewijs dit staat in de wet; artikel 338 Sv.
Artikel 338 Sv: Dee rehteer tee eetlasteeeeleede feeie aslleet lasasr kast
bewijzet aslt tij o.b.v. bewijtlaseeriasasl dase tij eerehtezitte teee eeziet
overeuied it eerasaske dase de verdashtee tee teee eedasast.
(Hierin ziten de beslissingen over het strafrechtelijk bewijs)
HET BEWIJS MOET:
STAP 1: Het bewijs moet op de terechtzitng zijn behandeld (onmiddellijkheidsbeginsel)
STAP 2: Het moet gaan om de wetge bewijsmiddelen
STAP 3: Als er voldoende bewijs is, dat hij overtuigd moet zijn geraakt.
Ad. Stap 1: Art. 340 - 343 Sv (wordt behandeld tijdens de terechtzitng)
Ad. Stap 2: Art. 339 Sv 5 wetge bewijsmiddelen
Uitgangspunt min. 2 bewijsmiddelen: art. 341 lid 4 Sv jo. 342 lid 2 Sv.
Uitzondering art. 344 lid 2 Sv 1 bewijsmiddel is voldoende als het gaat om een
opsporingsambtenaar ‘’Het moet gaan om een heterdaad situatie’’ dus: wanneer de
opsporingsambtenaar op heterdaad iemand betrapt. De opsporingsambtenaar heeft het zelf
waargenomen. Indien dit het geval is, is er sprake van genoeg bewijs.
Ad. Stap 3: Is de rechter voldoende overtuigd door het bewijs?
1. De rechter moet wetg bewijs hebben en er moeten (min. 2 wetge bewijsmiddelen)
zijn of die ene heterdaad situatie door de opsporingsambtenaar;
2. Het bewijs moet overtuigend zijn;
- Indien niet overtuigend, dan moet de rechter vrijspreken.
- Indien voldoende overtuigend heterdaad proces-verbaal.
,Vraag 1:
Jos is op 24 februari 2016, tijdens een avondje stappen in Amsterdam, fink dronken geworden.
Hij komt, terwijl hij naar huis loopt, zijn buurman tegen die met een aantal vrienden ook uit is
geweest. Zowel Jos als de buurman en zijn vrienden zijn aardig dronken.
Jos weet dat zijn buurman agent is en herkent twee van de vrienden van zijn buurman. Dat zijn
die vervelende biker-agenten die altijd zo zeuren als hij over de stoep fetst. Jos bedenkt zich
daarom geen moment en begint zijn buurman en vrienden uit te maken voor van alles en nog
wat (woorden als nazi,lamlul etc). Helaas wordt de actie van Jos door videocamera’s in de
binnenstad opgenomen. Ook twee toevallig passerende en werkende agenten zien en horen
Jos tekeer gaan en maken daarvan proces-verbaal op. De buurman is niet bepaald blij met de
actie van Jos en doet aangifte, waarvan ook proces-verbaal wordt opgemaakt. Jos moet
uiteindelijk voor de rechter verschijnen vanwege belediging van zijn buurman. De
tenlastelegging luidt:
Aan de verdachte (Jos) is ten laste gelegd dat hij:
op ofe oltereekt 24 feebruasri 2016 ee Alteerdasl opzetelijk beledieetd (eet) aslbeetas(as)r(et),
ee weeet de brieasdier vast de Reeiopolitie AlteerdaslmAlteellastd [buurlast vast Jot],
eeduretde et/ofe eer zaske vast de rehtelastiee uieoefeetite vast zijt/tasasr/tut bedietite, die
[buurlast vast Jot] it diett/dier eeeetwoordieteid lotdelite otder astdere teee eoeeevoeed
de woordet "lasllul, eore taszi, zwijt, eeritelijer", asletastt woordet vast eelijke beledieetde asasrd
et/ofe terekkite.
a. Welke wetge bewijsmiddelen haalt u uit de casus? Beschrijf ze en geef gemotiveerd
aan welk bewijsmiddel het oplevert
Antwoord:
bewijsmiddel 1: verklaring van de werkende agenten in de vorm van een p-v (1p) (art. 152
Sv). Dit is een schrifelijk bescheid ex artkel 339 eerste lid sub 5 Sv (1p) jo art 344 eerste lid
sub 2 Sv omdat het een pv is dat in de wetelijke vorm is opgemaakt door een persoon die
daartoe bevoegd is en mededeling doet van feiten en omstandigheden die die persoon zelf
heef waargenomen(1p).
bewijsmiddel 2: aangife. verklaring van verbalisant die de aangife heef opgenomen in de
vorm van een p-v (art. 163 lid 2 Sv) (1p). Dit is een schrifelijk bescheid ex artkel 339 eerste
lid sub 5 Sv (1p) jo art 344 eerste lid sub 2 Sv omdat het een pv is dat in de wetelijke vorm is
opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en mededeling doet van feiten en
omstandigheden die die persoon zelf heef waargenomen (het doen van aangife(1p).
, bewijsmiddel 3: De videobeelden kunnen ter zitng bekeken worden en gelden dan als eigen
waarneming van de rechter (1p). de rechter bekijkt de beelden dan ter zitng (1p) (339 eerste
lid sub 1 jo 340 Sv)(1p).
OF
De beelden worden uitgekeken en daarvan wordt p-v opgemaakt door een verbalisant die
weergeef wat hij heef waargenomen (art. 152 Sv) (1p). Dit is een schrifelijk bescheid ex
artkel 339 eerste lid sub 5 Sv (1p) jo art 344 eerste lid sub 2 Sv omdat het een pv is dat in de
wetelijke vorm is opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en mededeling doet
van feiten en omstandigheden die die persoon zelf heef waargenomen(1p).
(let op! als de vraag goed wordt gelezen, dan zouden de videobeelden ook weggelaten
kunnen worden. Het zijn immers nog geen bewijsmiddelen, en daar wordt nu juist naar
gevraagd)
(noot voor docent: dit is een oude tentamen vraag. In de eerdere werkgroepen en op het
tentamen noemen veel mensen als bewijsmiddel een getuigenverklaring ex 342. Dat is niet
juist. Allereerst blijkt uit de casus niet of de mensen die er mogelijk bij aanwezig waren een
getuigenverklaring willen/kunnen afeggen (zijn immers allemaal dronken….). Daarnaast is er
alleen sprake van een getuigenverklaring ex 342 Sv indien die verklaring ter zitng wordt
afgelegd. Dat blijkt hoe dan ook niet uit de casus.
b. Stel (los van bovenstaande) dat alleen 1 van de agenten die toevallig passeerden,
proces-verbaal opmaakt. Zou de rechter op basis van alleen dat proces-verbaal tot
een bewezenverklaring mogen komen? (4p)
Antwoord:
Ja, de rechter mag op grond van een proces-verbaal (1p) van een opsporingsambtenaar (1p)
die het tenlastegelegde feit zelf heef waargenomen (1p) tot een bewezenverklaring komen.
Dit volgt uit artkel 344 tweede lid Sv (1p). Het zgn. heterdaad proces-verbaal.
vraag 2a
De Hoge Raad heeft in een aantal arresten regels geformuleerd waarin wordt aangegeven hoe
met vormverzuimen moet worden omgegaan. Als verplichte literatuur zijn 2 arresten die hier
op zien, voorgeschreven. In het loze hashpijp-arrest beschreef de Hoge Raad de algemene
regels voor toepassing van artike. 359a Sv. In het arrest over de onbevoegde hulp-ofcier ging
de Hoge Raad dieper in op bewijsuitsluiting bij vormverzuimen.
Beschrijf in uw eigen woorden welke stappen de Hoge Raad aangeeft ten aanzien van de
algemene regels over vormverzuimen en vervolgens specifek met betrekking tot
bewijsuitsluiting.
Antwoord