Samenvatting Anna Siekman
De opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening is in 1989 opgericht vanuit twee
beroepsgroepen maatschappelijk werkers en juristen. Het komt voort uit de gedachte dat
recht toegankelijk gemaakt moet worden voor niet-bevoorrechte bevolkingsgroepen en dat
mensen die moeilijkheden hebben met recht en regels begeleid, ondersteund en
geadviseerd moeten worden.
Als SJD-er kun je werkzaam zijn als: belangenbehartiger (directe belang van cliënt),
wetsuitvoerder (cliënt helpen binnen de kaders van het wet), wetsuitvoerder in een
gedwongen kader (sanctie volgen als de cliënt zich niet aan de afspraken houdt), toetser
(controleert het werk van de uitvoerder), handhaver (degene die de cliënt straf oplegt als
hij/zij onterecht gebruikmaakt van een voorziening of een wet overtreedt), bemiddelaar
(neutrale 3e tussen 2 partijen) en outreachend werker (schat in dat verlenen dienst
noodzakelijk is).
De ruimte die professionals hebben om, binnen de wettelijke kaders, hun eigen inzicht te
volgen en zelfstandig te beslissen over het toepassen van bevoegdheden heet discretionaire
ruimte.
Sociologie, cultuur en socialisatie
Sociologie gaat over het gedrag van grote groepen mensen.
Cultuur = het geheel aan waarden (fundamenteel idee over wat belangrijk is), normen
(concrete gedragsregels), attitudes (een houding ten opzichte van iets of iemand) en
algemeen aanvaard gedrag dat iedereen als lid van de samenleving leert en doorgeeft door
middel van leerprocessen.
3 visies hoe je kan kijken naar cultuurverschillen:
Cultuurrelativisme: denk dat iedere groepering zijn eigen gelijk heeft.
Universalisme: gelooft in basiswaarden en normen
Pluralisme: van mening dat het individu invloed heeft van verschillende groeperingen en dat
het dus een meervoudige identiteit heeft.
Meerdere nationaliteiten, achtergronden, religies, stedelijkheid en sociale klasse zorgen voor
een breed cultuur. Wij gaan dan ook uit van het pluralisme. Dit veroorzaakt diversiteit.
Socialisatie = het leerproces waarbij iemand ‘zijn’ cultuur leert.
- Primair: als mens-zijn functioneren.
- Secundair: in formele context functioneren.
Het geheel aan posities van individuen en groeperingen die met elkaar in verhouding staan
wordt sociale structuur genoemd. Bij elke positie horen verwachtingen die anderen hebben
van de persoon die de positie heeft, dit worden rollen genoemd. Soms levert dit verwarring
of conflict op. We spreken van een intern conflict wanneer iemand verschillende
verwachtingen ervaart binnen eenzelfde positie. Een extern conflict ontstaat wanneer de
verwachtingen behorende bij verschillende posities met elkaar in conflict komen.
, Dimensies van Geert Hofstede
Grote machtafstand kleine machtsafstand
Individualistisch collectivistisch
Masculien feminiem
Hoge onzekerheidsvermijding lage onzekerheidsvermijding
Lange termijn oriëntatie Korte termijn oriëntatie
Hedonisme Soberheid
Nederland – we mogen tegen onze baas in gaan. We willen graag zelf dingen oplossen en de
ik staat centraal. We hebben veel gelijkheid en willen dingen in gesprek oplossen.
Onzekerheid is gemiddeld. Kijken ver vooruit maar niet te ver. En we zijn erg sober.
Verschillen van Edward Hall
Hoge context Lage context
Monochroom Polychroom
Dichtbij Afstand
We gaan af op cijfers dus een lage context nodig. We zijn monochroom omdat we veel
plannen. In Nederland hebben wij wat afstand nodig. Denk maar aan de trein.
Structuur en politieke visies
Cultuur = gezamenlijke afspraken
Structuur = verdeling van posities
Sociale structuur = ‘plattegrond’ van de samenleving = geheel van posities en groeperingen
en de relatief duurzame relaties die deze posities en groeperingen onderling verbinden.
Groeperingen
- Groep (een groep mensen die elkaar kennen)
- Collectiviteit (mensen met dezelfde waarden en normen)
- Sociale categorie (gelijke kenmerk)
Interdependentie = wederzijdse afhankelijkheid tussen posities.
- Economische binding – afhankelijk door schaarste aan goederen
- Politieke binding – binding door je status
- Affectieve binding – genegenheid, liefde en steun
- Cognitieve binding – leren van elkaar
Macht = het vermogen van personen of groeperingen om de samenleving vorm te geven en
het gedrag van anderen te beïnvloeden, eventueel tegen de wensen of belangen van deze
anderen in. Overal waar macht is, spreken we van machtsongelijkheid.
Machtsbronnen:
- Economisch – schaarse goederen of productiemiddelen om deze te produceren
- Politiek – middelen tot erkende/ reguliere geweldsuitoefening
- Affectief – vermogen om mensen aan zich te binden
- Cognitief – toegang tot speciale kennis die voor anderen waardevol is.