Theorie van beredeneerd/gepland gedrag: het gedrag van mensen wordt bepaald door de
intentie om het gedrag te vertonen.
Subjectieve norm: sociale normen over waargenomen gedrag in de omgeving.
Waargenomen gedragscontrole: mate waarin mensen denken het betreffende gedrag te
kunnen vertonen.
Cognitieve dissonantie: tegenstrijdigheid tussen attitude en gedrag. (je bent tegen roken maar
toch rook je).
Cognitieve dissonantietheorie: mensen merken een verschil tussen hun gedrag en hun
gevoel (cognitie) en voelen hierbij innerlijke spanning.
Zelfbeeld: bestaat uit zelfkennis en zelfwaardering.
Zelfschema-theorie: zelfgevormde mentale structuren over de eigenschappen die iemand
kenmerkend/belangrijk vindt voor zichzelf.
Zelfcategorisatie-theorie: sociale identiteit (het gedrag wat je toont om bij een groep te horen.
Is flexibel en afhankelijk van de context.
4 motieven voor het zoeken van informatie die relevant is voor je zelfbeeld:
1. Zelfverheffing en Better-than-average-effect.
2. Zelfverificatie: zoeken naar info die gelijk staat aan je zelfbeeld.
3. Zelfassessment: naar objectief beeld over jezelf streven.
4. Zelfverbetering.
Mood congruence-effect: behoefte hebben aan informatie die gelijk staat aan je stemming op
dat moment.
Discrepantietheorie: 4 zelfbeelden van jezelf:
1. Werkelijke zelf
2. Ideale zelf
3. Moeten zelf
4. Gevreesde zelf
Zelf-activatie: het gevoel hebben om in staat te zijn je werkelijke zelfbeeld te veranderen.
Sociale categorisatie: bij de eerste waarneming bepaal je onbewust bij welke sociale groep
iemand hoort. Daarna worden typische kenmerken van die groep toegewezen aan die persoon.
Oftewel, het stereotype wordt toegepast.
Self-fulfilling prophecy: omdat je verwachtingen hebt bij een ander, gedraag jij je zodanig dat
de ander ‘het verwachte gedrag’ gaat tonen.
Stereotype: verwachtingen, kennis, ideeën die mensen hebben over een sociale groep.
Vooroordeel: conclusie die wordt getrokken op basis van een stereotype, toegepast op een
bepaalde situatie.