1
Inhoudsopgave
Week 1: Logica (argumentatieleer) .........................................................................................................2
Week 2: Ethiek ........................................................................................................................................2
Antwoord proefvraag Pieter Singer (utilitarist) → A Convenient Truth ..............................................3
Antwoord proefvraag De Jong & Snik ‘Why Should States Fund Denominational Schools?’ ..............4
Week 3: Ethiek (vervolg) & onderwijsvrijheid (tak van ethiek) .............................................................4
Antwoord proefvraag ethiek→ dierenactivist ....................................................................................4
Week 4: Wijsgerige antropologie ...........................................................................................................6
Antwoord proefvraag konijn over castratie .........................................................................................7
Week 5: Epistemologie & wetenschapsfilosofie ....................................................................................7
Week 6: Wetenschapsfilosofie ...............................................................................................................9
, 2
Week 1 Logica (argumentatieleer)
- Meningsverschillen
o Gemengd = een geschil waarin meer dan één gesprekspartner een standpunt
inneemt. Niet-gemengd = een geschil waarin slechts één gesprekspartner een
standpunt inneemt
o Enkelvoudig = een geschil waar maar één kwestie aan de orde is. Meervoudig = een
geschil waarbij er meer dan één kwestie aan de orde is
- Strijdige proposities
o Tegengesteld = twee proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn en ook niet
tegelijk onwaar
o Contrair = twee proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn, maar wel tegelijk
onwaar
Logica
- Beperkt tot 1 dimensie en dat is het argumentatieleer
- Oplossen en aangaan van meningsverschillen
o Meest adequate manier om met een meningsverschil om te gaan is afhankelijk van
het vak dat je uitoefent. Een wetenschapper kiest voor het kritische debat. In de
kritische discussie gaan tegenstanders elkaar te lijf met argumenten→ toets der
kritiek→ uit onderzoek moet blijken of iets wel of niet klopt.
▪ Drogreden= iets wat logisch mankeert aan een argument
Week 2 Ethiek
Een tak van uit de filosofie die zich bezighoudt met de vraag welke waarde en normen of opvattingen
rechtvaardig zijn (het goede of juiste handelen).
Onderscheid tussen juridische vragen (mag iets volgens de wet wel of niet?), praktische vragen (is
iets wel of niet haalbaar?) en ethische vragen (is iets wel of niet rechtvaardig?).
In de ethiek hebben we twee kampen die een uitgangspunt hebben ingenomen over wat
rechtvaardig is.
Utilitarisme (sociaal)
Ethici die zeggen dat rechtvaardig, dat moreel handelen = hetgeen doen wat lijdt tot het meeste
geluk/ tot de beste consequenties voor zoveel mogelijk mensen/ tot de beste uitkomsten = netto
geluk voor zoveel mogelijk mensen. Best mogelijke consequenties/gevolgen.
Bezwaren utilitarisme
1. Voorspelbaarheid van uitkomst (dat doen wat lijdt tot de beste consequenties)
a. Je maakt een keuze op basis van wat je denkt dat het beste keuze gaat zijn, maar dat
weet je niet zeker. Het probleem is dat je achteraf pas weet of je de juiste keuze hebt
gemaakt
2. Rechtvaardigheid
a. Mag ik het geluk van een individu opgeven voor het geluk van anderen? Is het geluk
van de meerderheid doorslaggevend? → Is dat altijd rechtvaardig? (Wat is het recht
van minderheden)
3. Geluk als lijdende principe
Inhoudsopgave
Week 1: Logica (argumentatieleer) .........................................................................................................2
Week 2: Ethiek ........................................................................................................................................2
Antwoord proefvraag Pieter Singer (utilitarist) → A Convenient Truth ..............................................3
Antwoord proefvraag De Jong & Snik ‘Why Should States Fund Denominational Schools?’ ..............4
Week 3: Ethiek (vervolg) & onderwijsvrijheid (tak van ethiek) .............................................................4
Antwoord proefvraag ethiek→ dierenactivist ....................................................................................4
Week 4: Wijsgerige antropologie ...........................................................................................................6
Antwoord proefvraag konijn over castratie .........................................................................................7
Week 5: Epistemologie & wetenschapsfilosofie ....................................................................................7
Week 6: Wetenschapsfilosofie ...............................................................................................................9
, 2
Week 1 Logica (argumentatieleer)
- Meningsverschillen
o Gemengd = een geschil waarin meer dan één gesprekspartner een standpunt
inneemt. Niet-gemengd = een geschil waarin slechts één gesprekspartner een
standpunt inneemt
o Enkelvoudig = een geschil waar maar één kwestie aan de orde is. Meervoudig = een
geschil waarbij er meer dan één kwestie aan de orde is
- Strijdige proposities
o Tegengesteld = twee proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn en ook niet
tegelijk onwaar
o Contrair = twee proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn, maar wel tegelijk
onwaar
Logica
- Beperkt tot 1 dimensie en dat is het argumentatieleer
- Oplossen en aangaan van meningsverschillen
o Meest adequate manier om met een meningsverschil om te gaan is afhankelijk van
het vak dat je uitoefent. Een wetenschapper kiest voor het kritische debat. In de
kritische discussie gaan tegenstanders elkaar te lijf met argumenten→ toets der
kritiek→ uit onderzoek moet blijken of iets wel of niet klopt.
▪ Drogreden= iets wat logisch mankeert aan een argument
Week 2 Ethiek
Een tak van uit de filosofie die zich bezighoudt met de vraag welke waarde en normen of opvattingen
rechtvaardig zijn (het goede of juiste handelen).
Onderscheid tussen juridische vragen (mag iets volgens de wet wel of niet?), praktische vragen (is
iets wel of niet haalbaar?) en ethische vragen (is iets wel of niet rechtvaardig?).
In de ethiek hebben we twee kampen die een uitgangspunt hebben ingenomen over wat
rechtvaardig is.
Utilitarisme (sociaal)
Ethici die zeggen dat rechtvaardig, dat moreel handelen = hetgeen doen wat lijdt tot het meeste
geluk/ tot de beste consequenties voor zoveel mogelijk mensen/ tot de beste uitkomsten = netto
geluk voor zoveel mogelijk mensen. Best mogelijke consequenties/gevolgen.
Bezwaren utilitarisme
1. Voorspelbaarheid van uitkomst (dat doen wat lijdt tot de beste consequenties)
a. Je maakt een keuze op basis van wat je denkt dat het beste keuze gaat zijn, maar dat
weet je niet zeker. Het probleem is dat je achteraf pas weet of je de juiste keuze hebt
gemaakt
2. Rechtvaardigheid
a. Mag ik het geluk van een individu opgeven voor het geluk van anderen? Is het geluk
van de meerderheid doorslaggevend? → Is dat altijd rechtvaardig? (Wat is het recht
van minderheden)
3. Geluk als lijdende principe