Hoofdstuk 33: Lenzen en Optische Instrumenten
Soorten lenzen:
- Convergerende lens
o Dikker in het midden dan aan de randen.
o Laat evenwijdige stralen convergeren naar 1 punt.
- Divergerende lens
o Dunner in het midden dan aan de randen.
o Laat evenwijdige stralen divergeren.
Sterkte 𝑷 v/e lens = Het omgekeerde v/d brandpuntsafstand 𝑓.
1
→ 𝑃 = 𝑓.
Eenheid = 1 dioptrie = 1𝐷 = 1𝑚−1 (conversiefactor).
Bepalen v/h beeld gevormd door een dunne lens:
- Straal 1 wordt evenwijdig getekend aan de as,
dus wordt hij gebroken door de lens zodat hij
door het brandpunt F loopt.
- Straal 2 wordt getekend op een lijn die door
het andere brandpunt F’ gaat en aan de
andere kant v/d lens evenwijdig aan de
hoofdas loopt.
- Straal 3 wordt exact naar het midden v/d lens
gericht, waar de 2 oppervlakken vrijwel
evenwijdig zijn, deze straal komt daarom uit
de lens onder dezelfde hoek als waaronder hij
is binnengegaan.
Voor een convergerende lens hebben we altijd een
reëel, omgekeerd beeld. Voor een divergerende lens
hebben we altijd een virtueel, rechtopstaand beeld.
Conceptvoorbeeld 33.1:
Wat gebeurd er met het beeld v/e voorwerp als de bovenste helft v/e lens wordt
bedekt door een stuk karton?
→ Hiervoor bekijken we de stralen. Als de bovenste helft bedekt is, zou je kunnen
denken dat de helft v/h beeld wegvalt. Maar we hebben gezien dat stralen die
worden gebruikt voor het creëren v/d bovenkant v/h beeld, zowel door de boven-
als de onderkant v/d lens lopen. Slechts 3 v/d vele stralen worden weergegeven.
Door een deel v/d lens te bedekken komt er minder licht binnen en vermindert de
helderheid v/h beeld.
1
Soorten lenzen:
- Convergerende lens
o Dikker in het midden dan aan de randen.
o Laat evenwijdige stralen convergeren naar 1 punt.
- Divergerende lens
o Dunner in het midden dan aan de randen.
o Laat evenwijdige stralen divergeren.
Sterkte 𝑷 v/e lens = Het omgekeerde v/d brandpuntsafstand 𝑓.
1
→ 𝑃 = 𝑓.
Eenheid = 1 dioptrie = 1𝐷 = 1𝑚−1 (conversiefactor).
Bepalen v/h beeld gevormd door een dunne lens:
- Straal 1 wordt evenwijdig getekend aan de as,
dus wordt hij gebroken door de lens zodat hij
door het brandpunt F loopt.
- Straal 2 wordt getekend op een lijn die door
het andere brandpunt F’ gaat en aan de
andere kant v/d lens evenwijdig aan de
hoofdas loopt.
- Straal 3 wordt exact naar het midden v/d lens
gericht, waar de 2 oppervlakken vrijwel
evenwijdig zijn, deze straal komt daarom uit
de lens onder dezelfde hoek als waaronder hij
is binnengegaan.
Voor een convergerende lens hebben we altijd een
reëel, omgekeerd beeld. Voor een divergerende lens
hebben we altijd een virtueel, rechtopstaand beeld.
Conceptvoorbeeld 33.1:
Wat gebeurd er met het beeld v/e voorwerp als de bovenste helft v/e lens wordt
bedekt door een stuk karton?
→ Hiervoor bekijken we de stralen. Als de bovenste helft bedekt is, zou je kunnen
denken dat de helft v/h beeld wegvalt. Maar we hebben gezien dat stralen die
worden gebruikt voor het creëren v/d bovenkant v/h beeld, zowel door de boven-
als de onderkant v/d lens lopen. Slechts 3 v/d vele stralen worden weergegeven.
Door een deel v/d lens te bedekken komt er minder licht binnen en vermindert de
helderheid v/h beeld.
1