MEERKEUZEVRAGEN
01.
Ten aanzien van de goedkeuring van een verdrag, zoals bepaald in artikel 91 Grondwet, kan
het parlement:
a. het verdrag slechts goedkeuren of goedkeuring daaraan onthouden.
b. de verdragstekst bij wet in formele zin amenderen.
c. de regering verplichten de verdragstekst te wijzigen op punten die het parlement wenst.
02.
In de Grondwet opgenomen grondrechten kunnen slechts worden beperkt
a. door de formele wetgever en afhankelijk van het gebruik van bepaalde
terminologie soms ook door lagere wetgevers.
b. in het kader van de handhaving van de staatsveiligheid.
c. door iedere wetgever in materiële zin.
03.
In welk van de onderstaande verhoudingen geldt de ongeschreven vertrouwensregel niet?
a. In de verhouding tussen de Tweede Kamer en een staatssecretaris.
b. In de verhouding tussen de Eerste Kamer en een minister.
c. In de verhouding tussen de minister-president en de overige leden van het
kabinet.
04.
Het bestuurlijke toezicht op besluiten van decentrale bestuursorganen is in algemene zin
geregeld in Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eén van de vormen van
bestuurlijk toezicht is het repressieve toezicht.
Welke van de onderstaande alternatieven met betrekking tot het repressieve bestuurlijke
toezicht is juist?
a. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur vernietigen wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
b. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur vernietigen, terwijl daarover een
procedure bij de bestuursrechter aanhangig is.
c. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur slechts vernietigen, indien het
betrokken besluit eerst is geschorst.
05.
Een dualistisch element in de verhouding tussen regering en parlement is:
a. het recht van de regering het parlement te ontbinden.
b. het gegeven dat de regering de uitdrukkelijke steun van de meerderheid van de Staten-
Generaal nodig heeft bij de start van de kabinetsperiode.
c. de verplichting van de regering iedere door de Tweede Kamer aangenomen motie uit te
voeren.
1
, 06.
Een voordeel van het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging boven het
districtenstelsel (met absolute meerderheid) is dat
a. er een nauwere band tussen kiezers en gekozenen bestaat.
b. kleine(re) politieke stromingen in de volksvertegenwoordiging kunnen komen.
c. kabinetsformaties minder lang duren.
07.
Welke uitspraak betrekking tot de bevoegdheid van de regering om algemeen verbindende
voorschriften uit te vaardigen is juist?
a. De Grondwet laat het maken van Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) door de
regering zonder formeel-wettelijke grondslag toe.
b. In AMvB’s mogen door de regering naar eigen goeddunken strafbepalingen worden
opgenomen.
c. Op grond van het huidige art. 89 lid 2 van de Grondwet mag de regering geen AMvB’s
meer maken, die door strafbepalingen worden gehandhaafd.
08.
Het arrest inzake de anticonceptivaverordening Bergen op Zoom (HR 12 juni 1962, NJ 484)
had betrekking op:
a. de ondergrens van de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad in de
autonome sfeer.
b. de bovengrens van de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad in het
kader van het medebewind.
c. de begrenzing van het toezicht van de regering op wetgevings- en bestuurs-
bevoegdheid van gedecentraliseerde bestuursorganen.
09.
Welke van de onderstaande grondwettelijke bepalingen bevat een competentievoorschrift èn
een doelcriterium ter beperking van het in die bepaling genoemde grondrecht?
a. art. 7 lid 2 Grondwet.
b. art. 8 Grondwet.
c. art. 12 Grondwet
10.
In welke van de onderstaande grondwettelijke bepalingen komt de leer van de
machtenscheiding het best tot uitdrukking?
a. art. 81 Grw.
b. art. 89 Grw.
c. art. 120 Grw.
11.
Welk van de onderstaande wetten is geen organieke wet?
a. De Algemene wet bestuursrecht.
b. De Wet op de Rechterlijke Organisatie.
c. De Wet Ruimtelijke Ordening.
2
01.
Ten aanzien van de goedkeuring van een verdrag, zoals bepaald in artikel 91 Grondwet, kan
het parlement:
a. het verdrag slechts goedkeuren of goedkeuring daaraan onthouden.
b. de verdragstekst bij wet in formele zin amenderen.
c. de regering verplichten de verdragstekst te wijzigen op punten die het parlement wenst.
02.
In de Grondwet opgenomen grondrechten kunnen slechts worden beperkt
a. door de formele wetgever en afhankelijk van het gebruik van bepaalde
terminologie soms ook door lagere wetgevers.
b. in het kader van de handhaving van de staatsveiligheid.
c. door iedere wetgever in materiële zin.
03.
In welk van de onderstaande verhoudingen geldt de ongeschreven vertrouwensregel niet?
a. In de verhouding tussen de Tweede Kamer en een staatssecretaris.
b. In de verhouding tussen de Eerste Kamer en een minister.
c. In de verhouding tussen de minister-president en de overige leden van het
kabinet.
04.
Het bestuurlijke toezicht op besluiten van decentrale bestuursorganen is in algemene zin
geregeld in Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eén van de vormen van
bestuurlijk toezicht is het repressieve toezicht.
Welke van de onderstaande alternatieven met betrekking tot het repressieve bestuurlijke
toezicht is juist?
a. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur vernietigen wegens strijd met het
recht of het algemeen belang.
b. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur vernietigen, terwijl daarover een
procedure bij de bestuursrechter aanhangig is.
c. De regering kan een besluit van een gemeentebestuur slechts vernietigen, indien het
betrokken besluit eerst is geschorst.
05.
Een dualistisch element in de verhouding tussen regering en parlement is:
a. het recht van de regering het parlement te ontbinden.
b. het gegeven dat de regering de uitdrukkelijke steun van de meerderheid van de Staten-
Generaal nodig heeft bij de start van de kabinetsperiode.
c. de verplichting van de regering iedere door de Tweede Kamer aangenomen motie uit te
voeren.
1
, 06.
Een voordeel van het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging boven het
districtenstelsel (met absolute meerderheid) is dat
a. er een nauwere band tussen kiezers en gekozenen bestaat.
b. kleine(re) politieke stromingen in de volksvertegenwoordiging kunnen komen.
c. kabinetsformaties minder lang duren.
07.
Welke uitspraak betrekking tot de bevoegdheid van de regering om algemeen verbindende
voorschriften uit te vaardigen is juist?
a. De Grondwet laat het maken van Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) door de
regering zonder formeel-wettelijke grondslag toe.
b. In AMvB’s mogen door de regering naar eigen goeddunken strafbepalingen worden
opgenomen.
c. Op grond van het huidige art. 89 lid 2 van de Grondwet mag de regering geen AMvB’s
meer maken, die door strafbepalingen worden gehandhaafd.
08.
Het arrest inzake de anticonceptivaverordening Bergen op Zoom (HR 12 juni 1962, NJ 484)
had betrekking op:
a. de ondergrens van de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad in de
autonome sfeer.
b. de bovengrens van de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad in het
kader van het medebewind.
c. de begrenzing van het toezicht van de regering op wetgevings- en bestuurs-
bevoegdheid van gedecentraliseerde bestuursorganen.
09.
Welke van de onderstaande grondwettelijke bepalingen bevat een competentievoorschrift èn
een doelcriterium ter beperking van het in die bepaling genoemde grondrecht?
a. art. 7 lid 2 Grondwet.
b. art. 8 Grondwet.
c. art. 12 Grondwet
10.
In welke van de onderstaande grondwettelijke bepalingen komt de leer van de
machtenscheiding het best tot uitdrukking?
a. art. 81 Grw.
b. art. 89 Grw.
c. art. 120 Grw.
11.
Welk van de onderstaande wetten is geen organieke wet?
a. De Algemene wet bestuursrecht.
b. De Wet op de Rechterlijke Organisatie.
c. De Wet Ruimtelijke Ordening.
2