Module Edumundo Algemene economie - Samenvatting Bowien Wegman
Hoofdstuk 1: DESTEP: Economische factoren
1.1 DESTEP
3 niveau marktomgeving:
- Micro
- Meso
- Macro
De macro omgeving bestaat uit factoren en ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op
de doelgroep. Economische ontwikkelingen vormen de randvoorwaarde.
1.2 Economische factoren: B2C en inkomenselasticiteit
Bij economische variabelen is er onderscheid tussen factoren die bestedingen begrenzen
en factoren die bestedingen bepalen.
1.2.1 Economische factoren: B2C en inkomenselasticiteit van de vraag
Factoren die van invloed zijn op de consumptie van individuele huishoudens:
Koopkracht - Het nominaal inkomen is uitgedrukt in geld. Inflatie betekent een stijging van
het prijspeil van goederen en diensten. Hierdoor daalt de waarde van geld. Koopkracht is
de reële waarde van het nominaal inkomen, de hoeveelheid goederen gekocht kan worden
met het inkomen.
De vraag naar goederen en diensten wordt beïnvloed door de hoogte van het reële inkomen.
Door een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting zal het reële inkomen stijgen. Als
het reële inkomen van stijgt, zal de vraag naar de meeste goederen en diensten toenemen.
We drukken het verband tussen de verandering van de vraag ten gevolge van een
verandering van het inkomen uit in de zogenaamde inkomenselasticiteit van de vraag.
Inkomenselasticiteit = Ey = %verandering van de vraag / %verandering van het inkomen.
Ey >0 Inferieur goed
Ey <1 Noodzakelijk
Ey >1 Luxegoed
Rentestand - De Europese Centrale Bank (ECB) stelt de rente vast. Bij een hoge
rentestand zijn consumenten minder geneigd om hypotheken en consumptieve kredieten
af te sluiten.
Het consumentenvertrouwen
Vermogenspositie - Het vermogen speelt een rol bij bestedingen. Denk aan spaargeld,
pensioenen, aandelen en huurprijzen.
Mogelijkheid tot lenen
, 1.2.2 Economische factoren B2B
Belangrijke factoren die van invloed zijn op investeringen in bedrijven zijn:
- Afzetverwachtingen (er is vertrouwen dat de investering afzet zal genereren)
- De beschikbaarheid van risicokapitaal (kan gegenereerd worden uit winsten of
geleend geld)
- De rentestand
Hoofdstuk 2 Macro-economie
2.1 Bruto binnenlands product en economische groei
Macro-economie bestudeert de economische samenhangen in een land. Lagere
economische groei leidt tot lagere groei inkomen. Omgekeerd geldt dit ook.
Het reële BBP is de totale productie van goederen en diensten. Product = inkomen, de
waarde van de productie is gelijk aan het inkomen. De groei van de BBP noemen we
economische groei. Als de economie minstens twee kwartalen negatief is spreken we van
een recessie. Dit kan een economische crisis worden waarin bedrijven slecht gaan, de
werkloosheid toeneemt en bestedingen terugvallen. Het nominaal BBP wordt uitgedrukt in
euro’s.
2.2 Aanbodzijde van de goederenmarkt
De productiecapaciteit is de maximale productie. Voor het leveren van productiefactoren
wordt je betaald.
- Beloning arbeid is loon.
- Beloning kapitaal is interest, bij kapitaalgoederen huur.
- Beloning natuur is pacht.
- Beloning ondernemerschap is winst.
Omvang beroepsbevolking neemt toe → Arbeid neemt toe.
Meer geld besteding in onderwijs → Kwaliteit arbeid neemt toe.
Netto investeringen nemen toe → Kwaliteit en kwantiteit kapitaal neemt toe.
Technologische vernieuwing → Kwaliteit kapitaal neemt toe.
Groei van deze productiefactoren leidt ertoe dat er meer geproduceerd kan worden.
2.3 Vraagzijde van de goederenmarkt
2.3.1 Vraagzijde: definities en formules
Hoofdstuk 1: DESTEP: Economische factoren
1.1 DESTEP
3 niveau marktomgeving:
- Micro
- Meso
- Macro
De macro omgeving bestaat uit factoren en ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op
de doelgroep. Economische ontwikkelingen vormen de randvoorwaarde.
1.2 Economische factoren: B2C en inkomenselasticiteit
Bij economische variabelen is er onderscheid tussen factoren die bestedingen begrenzen
en factoren die bestedingen bepalen.
1.2.1 Economische factoren: B2C en inkomenselasticiteit van de vraag
Factoren die van invloed zijn op de consumptie van individuele huishoudens:
Koopkracht - Het nominaal inkomen is uitgedrukt in geld. Inflatie betekent een stijging van
het prijspeil van goederen en diensten. Hierdoor daalt de waarde van geld. Koopkracht is
de reële waarde van het nominaal inkomen, de hoeveelheid goederen gekocht kan worden
met het inkomen.
De vraag naar goederen en diensten wordt beïnvloed door de hoogte van het reële inkomen.
Door een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting zal het reële inkomen stijgen. Als
het reële inkomen van stijgt, zal de vraag naar de meeste goederen en diensten toenemen.
We drukken het verband tussen de verandering van de vraag ten gevolge van een
verandering van het inkomen uit in de zogenaamde inkomenselasticiteit van de vraag.
Inkomenselasticiteit = Ey = %verandering van de vraag / %verandering van het inkomen.
Ey >0 Inferieur goed
Ey <1 Noodzakelijk
Ey >1 Luxegoed
Rentestand - De Europese Centrale Bank (ECB) stelt de rente vast. Bij een hoge
rentestand zijn consumenten minder geneigd om hypotheken en consumptieve kredieten
af te sluiten.
Het consumentenvertrouwen
Vermogenspositie - Het vermogen speelt een rol bij bestedingen. Denk aan spaargeld,
pensioenen, aandelen en huurprijzen.
Mogelijkheid tot lenen
, 1.2.2 Economische factoren B2B
Belangrijke factoren die van invloed zijn op investeringen in bedrijven zijn:
- Afzetverwachtingen (er is vertrouwen dat de investering afzet zal genereren)
- De beschikbaarheid van risicokapitaal (kan gegenereerd worden uit winsten of
geleend geld)
- De rentestand
Hoofdstuk 2 Macro-economie
2.1 Bruto binnenlands product en economische groei
Macro-economie bestudeert de economische samenhangen in een land. Lagere
economische groei leidt tot lagere groei inkomen. Omgekeerd geldt dit ook.
Het reële BBP is de totale productie van goederen en diensten. Product = inkomen, de
waarde van de productie is gelijk aan het inkomen. De groei van de BBP noemen we
economische groei. Als de economie minstens twee kwartalen negatief is spreken we van
een recessie. Dit kan een economische crisis worden waarin bedrijven slecht gaan, de
werkloosheid toeneemt en bestedingen terugvallen. Het nominaal BBP wordt uitgedrukt in
euro’s.
2.2 Aanbodzijde van de goederenmarkt
De productiecapaciteit is de maximale productie. Voor het leveren van productiefactoren
wordt je betaald.
- Beloning arbeid is loon.
- Beloning kapitaal is interest, bij kapitaalgoederen huur.
- Beloning natuur is pacht.
- Beloning ondernemerschap is winst.
Omvang beroepsbevolking neemt toe → Arbeid neemt toe.
Meer geld besteding in onderwijs → Kwaliteit arbeid neemt toe.
Netto investeringen nemen toe → Kwaliteit en kwantiteit kapitaal neemt toe.
Technologische vernieuwing → Kwaliteit kapitaal neemt toe.
Groei van deze productiefactoren leidt ertoe dat er meer geproduceerd kan worden.
2.3 Vraagzijde van de goederenmarkt
2.3.1 Vraagzijde: definities en formules