[Ondertitel van document]
,Inhoudsopgave
Bijlage onderdeel A: leerteamvragen ............................................................................................................. 2
Week 2 (H1) nog nodig.........................................................................................................................................2
Week 3 (H3)..........................................................................................................................................................3
Week 4 (H4)..........................................................................................................................................................4
Week 5 (H5 en 7)..................................................................................................................................................6
Week 6 (H6) .........................................................................................................................................................7
Week 7 (H9)..........................................................................................................................................................8
Bijlage onderdeel B: leerteamopdracht 1 t/m 5............................................................................................11
Opdracht 1 Eetgedrag........................................................................................................................................11
Opdracht 2 Optische Illusies ...........................................................................................................................12
Opdracht 3 Conditionering .............................................................................................................................13
Opdracht 4 Intelligentie ..................................................................................................................................14
Opdracht 5 Mentale problemen .....................................................................................................................15
Bijlage onderdeel C: Opdracht 6 Ontwikkelingen Psychiatrie........................................................................16
Bijlage onderdeel D. samenvatting en reflectie............................................................................................. 18
Bronnenlijst................................................................................................................................................. 20
1
, Bijlage onderdeel A: leerteamvragen
Week 2 (H1) nog nodig
1. Waar ligt de oorsprong van de psychologie? Noem een of twee namen van denkers/
wetenschappers uit hoofdstuk 1 die deze oorsprong vertegenwoordigen. Beargumenteer
kort het antwoord.
De psychologie vindt zijn oorsprong in de filosofie en wetenschappelijke traditie. Wilhelm Wundt
wordt beschouwd als de grondlegger van de psychologie als een onafhankelijke wetenschap en opende
in 1879 het eerste psychologische laboratorium aan de Universiteit van Leipzig. Hij benadrukte het
belang van objectieve studie van menselijk gedrag en ervaring via experimenten en observatie.
William James, een Amerikaanse filosoof en psycholoog, vertegenwoordigt een andere belangrijke
figuur in de oorsprong van de psychologie. Hij wordt geassocieerd met het functionalisme, dat de
functie van bewustzijn en mentale processen in de aanpassing aan de omgeving onderzoekt. Hun
baanbrekende bijdragen hebben de psychologie als wetenschap gevestigd en hebben fundamentele
vragen over menselijk gedrag en ervaring verkend. (Brysbaert, 2022 p.22-23)
2. Beschrijf kort een vijftal theoretische stromingen in de psychologie.
Behaviorisme: Benadrukt observeer baar gedrag en externe stimuli, zonder veel aandacht voor
interne mentale processen. Bekende figuren zijn Pavlov, Watson en Skinner.
Psychoanalyse: Richt zich op het onbewuste en de invloed ervan op gedrag, ontwikkeld door
Freud.
Cognitieve psychologie: Bestudeert interne mentale processen zoals denken, geheugen en
redeneren. Belangrijke figuren zijn Piaget en Neisser.
Humanistische psychologie: Benadrukt persoonlijke groei en zelfverwezenlijking, met Rogers
en Maslow als belangrijke vertegenwoordigers.
Sociale psychologie: Onderzoekt hoe sociale invloeden en interacties het gedrag beïnvloeden,
met onderwerpen zoals conformiteit, vooroordelen en groepsdynamiek. Belangrijke figuren
zijn Asch, Milgram en Lewin. (Brysbaert, 2022 p.22-25)
3. Veel psychologen werken niet als therapeut, maar werken in de dienstverlenende sector.
Noem vier voorbeelden van werkvelden uit deze sector.
a. Onderwijs: Ze helpen bij leer- en gedragsproblemen bij studenten.
b. Gezondheidszorg: Klinische gezondheidspsychologen ondersteunen patiënten bij emotionele
en gedragsuitdagingen.
c. Bedrijfspsychologie: Ze adviseren organisaties over personeelszaken en welzijn.
d. Jeugdzorg: Ze helpen kinderen en adolescenten met emotionele en
gedragsproblemen. (Brysbaert, 2022 p.58)
4. Noem een verschil tussen Behaviorisme en Cognitieve Psychologie.
Behaviorisme richt zich op het bestuderen van observeer baar gedrag en externe stimuli, met weinig
aandacht voor interne mentale processen zoals denken en emoties. Cognitieve psychologie
daarentegen richt zich op het begrijpen van interne mentale processen zoals denken, geheugen en
problemen oplossen en hoe deze processengedrag beïnvloeden. Het belangrijkste verschil ligt dus in
de focus: behaviorisme kijkt naar wat we kunnen zien, terwijl cognitieve psychologie zich richt op wat
er binnenin onze geest gebeurt. (Brysbaert, 2022 p.25-29)
5. Wat wordt bedoeld met het ‘Positivisme’?
Positivisme is de manier van denken dat enkel door observeer baar en meetbaar gedrag een fundament
kan worden gelegd voor theorievorming. (Brysbaert, 2022 p.25-26)
6. Geef twee definities van ‘evidence-based practice’.
De eerste definitie van evidence-based practise is dat er kennis uit wetenschappelijk onderzoek komt,
dit kan vanuit empirische en theoretische onderbouwing.
2