Onderzoek= iets wat mensen ondernemen om iets op een systematsche manier uit te
zoeken, waardoor hun kennis toeneemt (er is een duidelijk doel)
Kenmerken onderzoek:
- Gegevens worden systematsch verzameld
- Gegevens worden systematsch geïnterpreteerd
- Er is een duidelijk doel: er moet iets worden uitgezocht
Fundamenteel onderzoek= het doel is om meer kennis te krijgen, duurt heel lang en is op
universitair niveau
Praktijkgericht/ toegepast onderzoek= het doel is om iets te onderzoeken via de praktjk,
duurt niet lang en gaat heel snel
Onderwerp zoeken:
- Brainstormen= een vorm van overleg (kan ook voor jezelf) waarbij iedereen ideeën
mag noemen en niks is gek, aan het eind verzameld iemand de ideeën en dan wordt
gekeken wat er bruikbaar is
- Delphi-methode= ideeën uit een organisate halen om een probleem op te lossen.
Verschillende medewerkers leg je een probleem voor, mensen reageren daar
anoniem op, de moderator verzameld alle ideeën, die vat dit samen en stuurt de lijst
met ideeën naar de leden van het team. Iedereen mag hier weer op reageren,
reactes worden ook weer verzameld en rondgestuurd. Uiteindelijk zijn en 2 ideeën
die het beste worden gevonden door het team
Doelstelling van het onderzoek:
- Beschriijvend onderzoek= alleen de situate in kaart brengen (inzicht krijgen)
- Verkennend onderzoek (exploratef)= aanbevelingen doen aan een organisate
- Verklarend onderzoek (toetsend)= een verband tussen twee verschijnselen toetsen.
Dit is wetenschappelijk onderzoek
- Evaluerend onderzoek= terugkijken op plannen/campagnes/actes
Probleemstelling:
- Haalbaar
- Binnen gestelde tjd en budget
- Meetbaar
- Relevant
- Niet alleen beschrijven, maar ook aanbevelingen geven
- Open vraagstelling
- Enkelvoudig
- Hoofvraag en deelvragen
Deelvragen= zijn vragen, die bijdragen aan het antwoord op de hoofdvraag
- Theoretsche vragen (begrippen verklaren d.m.v. literatuuronderzoek)
- Interne vragen (micro- analyse, huidige situate ten aanzien probleem)
- Contextuele vragen (concurrente/branche, trends en ontwikkelingen)
,Literatuur zoeken:
- Primaire bronnen= eerste keer dat een werk verschijnt (nieuwsartkel)
- Secundaire bronnen= de volgende publicate van primaire literatuur (tjdschrif)
- Tertaire bronnen= zoekmiddelen, bronnen die worden gebruikt worden om primaire
bronnen en secundaire bronnen te vinden (encyclopedie)
Zoekacte stappenplan:
- Trefwoorden/ zoektermen genereren: let op combinate van trefwoorden
- Bepalen waar je gaat zoeken
- Criteria bepalen
Literatuur beoordelen:
- Is het recent
- Is het relevant
- Is het betrouwbaar
Bibliografsche details
- Auteur
- Jaar
- Titel
- Edite
- Plaats
- Uitgeverij
- Paginanummers (als je iets leterlijk overneemt)
APA-regels
- APA= american psychology associaton
- Verwijzing in de tekst: auteur + jaartal van de site of iets anders ‘’Uit onderzoek
White (2012) kwam naar voren dat…
- Literatuurlijst: auteur, initalen etc.
Plagiaat= het overnemen van andermans werk zonder correcte bronvermelding
Literatuurstudie= een iteratef (herhalend) proces:
- Zoek informate
- Ga direct schrijven
- Bouw de tekst langzaam op
- Steeds meer kennis om verder te zoeken naar nieuwe informate
Onderzoek filosofie (de stappen van het beschrijven van je onderzoeksvoorstel) de flosofe
waarmee de onderzoeker denkt de waarheid te vinden
De onderzoek ui:
- Filosofe
- Benadering
- Strategie
- Kwanttatef/ kwalitatef
- Tijdshorizonten
- Technieken en procedures
, Is belangrijk omdat De onderzoek flosofe bevat belangrijke aannames over de manier
waarop je de wereld bekijkt
3 manieren om over onderzoek filosofie te denken:
Ontologie= onderzoek naar mensen en de houding van mensen
Epistemologie= wat is aanvaardbare kennis (wat is waarheid wat iemand van jou aanneemt,
wat moet je doen om een ander te bewijzen dat het waar is)
Axiologie= denken na over de objectviteit van de onderzoeker
Epistemologie:
- Positvisme (positef over dat dingen meetbaar zijn)
- Interpretvisme (de waarheid zit niet in cijfers maar in verhalen en die verhalen
veranderen nog)
- Realisme (het hangt van het onderwerp af of het iets is wat je wel of niet kunt
meten)
Benadering:
- Inductef= je begint je onderzoek zonder theorie (een theorie opstellen)
- Deductef= je begint je onderzoek met theorie (een theorie toetsen)
- Abductef= je begint je onderzoek zonder theorie en na en tjdje heb je wel een
theorie en die ga je dan toetsen en als het dat dan niet is ga je verder zoeken
Onderzoeksstrategieën= hoe je aan je gegevens komt
- Experiment je bent opzoek naar de oorzaak (je hebt een experimentele groep en
een controlegroep, waarbij 1 verschil mag ziten. (Controle op andere factoren,
efecten meetbaar & hawthorne efect= dat mensen zich anders gaan gedragen
omdat ze weten dat ze meedoen)
- Enquête
- Case study= gegevens verzamelen over 1 geval
- Interview
- Acton research= verzamelen van gegevens, experimenten doen en evalueren
- Grounded theory= gegevens verzamelen om een nieuwe theorie te ontwikkelen
- Etnografe= onderzoek doen onder volkeren, hoe mensen met elkaar leven
- Archiefonderzoek= gegevens halen uit archieven
Keuze op basis van:
- Onderzoeksvraag
- Doelstelling
- Hoeveelheid bestaande kennis over het onderwerp
- Hoeveelheid tjd en andere middelen
- Filosofe
Tiijdshorizonten= de periode die je met je onderzoek beschrijf
Onderzoeksstrategieën:
De mate waarin ontwikkel je een theorie of model
Betrouwbaarheid bij enquêtes= herhaalbaarheid en dat er hetzelfde uit komt