H6 oefentoets 1
1
Stelling I:
Gemeenschappelijke uitgangspunten en wederzijdse beïnvloeding zijn eigenschappen van
groepen.
Stelling II:
Het gezin kan niet worden omschreven als groep.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
2
Door welke van de onderstaande groepen wordt de consument over het algemeen het meest
beïnvloed?
A. kleine groepen, primaire groepen, informele groepen
B. kleine groepen, secundaire groepen, formele groepen
C. grote groepen, formele groepen, primaire groepen
D. kleine groepen, secundaire groepen, informele groepen
3
Het boek geeft drie redenen waarom consumenten gebruik kunnen maken van referentiegroepen.
Welke van de onderstaande redenen hoort daar niet bij?
A. om informatie te verkrijgen
B. om het product te kopen
C. om hun zelfbeeld te bevestigen of te verbeteren
D. om te worden beloond of om straf te vermijden
4
Alle vrienden en kennissen van Jan en Marie hebben een Senseo-koffiezetapparaat. Jan en Marie
vonden het daarom hoog tijd om ook een Senseo aan te schaffen. Van welk sociaal effect is dit
een voorbeeld?
A. Veblen-effect
B. bandwagoneffect
C. associatie-effect
D. snobeffect
5
Stelling I:
Normatieve invloed is groter in een groep met veel cohesie.
Stelling II:
Een referentiegroep met veel macht heeft een grotere normatieve invloed.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
1
Stelling I:
Gemeenschappelijke uitgangspunten en wederzijdse beïnvloeding zijn eigenschappen van
groepen.
Stelling II:
Het gezin kan niet worden omschreven als groep.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
2
Door welke van de onderstaande groepen wordt de consument over het algemeen het meest
beïnvloed?
A. kleine groepen, primaire groepen, informele groepen
B. kleine groepen, secundaire groepen, formele groepen
C. grote groepen, formele groepen, primaire groepen
D. kleine groepen, secundaire groepen, informele groepen
3
Het boek geeft drie redenen waarom consumenten gebruik kunnen maken van referentiegroepen.
Welke van de onderstaande redenen hoort daar niet bij?
A. om informatie te verkrijgen
B. om het product te kopen
C. om hun zelfbeeld te bevestigen of te verbeteren
D. om te worden beloond of om straf te vermijden
4
Alle vrienden en kennissen van Jan en Marie hebben een Senseo-koffiezetapparaat. Jan en Marie
vonden het daarom hoog tijd om ook een Senseo aan te schaffen. Van welk sociaal effect is dit
een voorbeeld?
A. Veblen-effect
B. bandwagoneffect
C. associatie-effect
D. snobeffect
5
Stelling I:
Normatieve invloed is groter in een groep met veel cohesie.
Stelling II:
Een referentiegroep met veel macht heeft een grotere normatieve invloed.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.