H2 oefentoets 5
1
Wanneer kwam de consumentenoriëntatie op?
A. einde van de twintigste eeuw
B. gedurende de Gouden Eeuw
C. na de Tweede Wereldoorlog
D. rond 1900
2
Stelling I:
De combinatie van een aantrekkelijke, onderscheidende en niet snel te imiteren propositie wordt
ook wel 'sustainable competitive advantage' genoemd.
Stelling II:
Meerwaarde is het managen van de verwachtingen van de consument.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Welk consumentengevoel past het best bij de innovatiespiraal?
A. onduidelijkheid door het snel veranderende productaanbod
B. hoop op snelle innovatie van producten en diensten
C. onzekerheid door te veel keuze
D. irritatie door reclameboodschappen
4
Pine en Gilmore onderscheiden vier belevingsdomeinen. Welke?
A. escapisme, entertainment, esthetiek, educatie
B. escapisme, realisme, esthetiek, educatie
C. entertainment, realisme, ethiek, educatie
D. entertainment, transformeel, memorabel, educatie
5
Stelling I:
Viral marketing kan worden toegepast als onderdeel van permission marketing.
Stelling II:
Interruptiemarketing en permission marketing komen op hetzelfde neer.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
1
Wanneer kwam de consumentenoriëntatie op?
A. einde van de twintigste eeuw
B. gedurende de Gouden Eeuw
C. na de Tweede Wereldoorlog
D. rond 1900
2
Stelling I:
De combinatie van een aantrekkelijke, onderscheidende en niet snel te imiteren propositie wordt
ook wel 'sustainable competitive advantage' genoemd.
Stelling II:
Meerwaarde is het managen van de verwachtingen van de consument.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Welk consumentengevoel past het best bij de innovatiespiraal?
A. onduidelijkheid door het snel veranderende productaanbod
B. hoop op snelle innovatie van producten en diensten
C. onzekerheid door te veel keuze
D. irritatie door reclameboodschappen
4
Pine en Gilmore onderscheiden vier belevingsdomeinen. Welke?
A. escapisme, entertainment, esthetiek, educatie
B. escapisme, realisme, esthetiek, educatie
C. entertainment, realisme, ethiek, educatie
D. entertainment, transformeel, memorabel, educatie
5
Stelling I:
Viral marketing kan worden toegepast als onderdeel van permission marketing.
Stelling II:
Interruptiemarketing en permission marketing komen op hetzelfde neer.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.