1
Het streven naar kwalitatief het beste product hoort bij:
A. consumentenoriëntatie
B. productmarketingoriëntatie
C. productoriëntatie
D. verkooporiëntatie
2
Stelling I:
Een producent die zich positioneert als 'de goedkoopste', kan meerwaarde voor de consument
bieden.
Stelling II:
Als een producent echt meerwaarde biedt, is een hogere prijs voor de consument geen probleem.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Een producent van vitaminepillen verkoopt zijn producten met name via de reformwinkels.
Consumenten blijken echter steeds grilliger in hun aankooppatroon: ze kopen vitaminepillen ook in
de sportschool, bij de drogist en steeds vaker via internet. Inzet van al deze kanalen zal voor de
producent veel extra kosten met zich meebrengen. Waarmee wordt de producent geconfronteerd?
A. de distributiespiraal
B. de innovatiespiraal
C. de communicatiespiraal
D. de aankoopspiraal
4
Sommige verzekeringsmaatschappijen proberen klanten te werven door middel van telefonische
wervingsacties. Hoe zou je deze vorm van telemarketing ook wel kunnen noemen?
A. interruptiemarketing
B. permission marketing
C. experience marketing
D. neuromarketing
5
Vul in.
Bij de belevenisoriëntatie staan ……. aan de basis van de marketinginspanningen.
A. Contacten
B. Waarden
C. Pr-medewerkers
D. Permissionsheets