Orthopedagogiek is wanneer de vraag van een kind een speciaal beroep doet op de opvoeder. Er is
speciale kennis en een speciale aanpak nodig om het probleem op te lossen. Pedagogiek gaat over de
opvoeding, orthopedagogiek gaat over de opvoeding van een kind met een stoornis of ander probleem.
Intentioneel opvoeden is het bewust aansturen van een kind. Functioneel opvoeden gaat over de band
met het kind.
Als de ontwikkeling van een kind stagneert kan er een opvoedingsimpasse ontstaan. Opvoeders in een
opvoedingsimpasse doorlopen de volgende fasen:
1. De opvoeder merkt dat de ontwikkeling van het kind niet in de gewenste richting loopt.
2. De opvoeder heef tot dat moment geprobeerd de ontwikkeling in de juiste richting te sturen.
3. De opvoeder is van mening niet geslaagd te zijn in de opvoeding.
4. De opvoeder ziet geen mogelijkheden meer om de ontwikkeling van het kind weer in de juiste
richting te sturen.
5. De opvoeder heef niet meer de verwachting om binnen korte termijn zelfstandig of in overleg
met medeopvoeders een oplossing te vinden.
6. Dit besef zorgt voor pijnlijke emoties bij de opvoeder.
Tegen de tijd dat opvoeder om hulp vragen hebben zij vaak al deze stappen al doorlopen en kan er
tussen de partners veel ruzie zijn ontstaan.
Eerstegraadsstrategie in de opvoeding: overleg met medeopvoeders
Tweedegraadsstrategie in de opvoeding: aanvulling met therapieën
Derdegraadsstrategie in de opvoeding: maatwerk
Er zijn vier verschillende gezichtspunten op problemen die de orthopedagogiek bestudeert en met
elkaar verbindt:
Het individueel-theoretisch paradigma: de beperking als medische categorie.
Het interactioneel-theoretisch paradigma: de beperking wordt opgevat als etiket.
Het systeemtheoretisch paradigma: de beperking wordt gezien als consequentie van de eisen
van een systeem.
Het maatschappijtheoretisch paradigma: de maatschappij veroorzaakt de beperking.
Orthopedagogische zorg is nodig als de stoornis langere tijd van invloed is op de ontwikkeling, er
speciale hulpmiddelen en technieken nodig zijn om ernstige gevolgen te voorkomen en het kind het
nodig heef om met de stoornis te kunnen leven.