Homeostase – Proces binnen het interne milieu van meercellige organismen dat
ervoor zorgt dat het interne milieu stabiel blijft.
Negatieve feedbackmechanismen – AFNAME van de stimulus om de homeostase te
handhaven of te herstellen.
Positieve feedbackmechanismen – TOENEMEN van de stimulus om de homeostase te
herstellen.
Transportsysteem Bloed – Door het hele lichaam. Bestaat uit Plasma en bloedcellen
Plasma – is vloeistof, water met daarin opgeloste voedingsstofen, zuurstof en
afvalstofen.
Erytrocyten – Brengen zuurstof van de longen naar weefsels en koolmonoxide terug
Leukocyten – Ookwel Witte bloedcellen, betrokken bij ons afweersysteem
Trombocyten – ookwel Bloedplaatjes, zorgen voor de stolling van ons bloed
3 soorten bloedvaten:
Arteriën – lopen van het hart AF
Venen – Lopen naar het hart TOE
Capillairen – Haarvaten lopen tot diep in het lichaamsweefsel
Centrale zenuwstelsel – Bestaat uit de grote en de kleine hersenen en het
ruggenmerg
Perifere zenuwen – zenuwen voor gevoel (sensibel) en beweging (motorisch)
Aferente zenuwen – (sensorisch) Stturen signalen van het lichaam naar de hersenen
Eferente zenuwen – (motorisch) Stturen signalen van de hersenen naar de efectoren
Gevoelszintuigen – detecteren 4 prikkels: pijn, tast, warmte en kou
Proprioceptoren – Zorgen voor evenwicht in het lichaam
Neurotransmitters – Chemische stof die in synapsen zenuwimpulsen overdraagt
tussen zenuwcellen of impulsen overdraagt
Endocriene stelsel – stelsel van afzonderlijke klieren die verspreid worden door het
hele lichaam en scheiden hormonen af in het bloed (regulatie
verloopt langzamer dan die van het zenuwstelsel).
Sttofen die het lichaam absorbeert – Zuurstof, water en voedingsstofen
Afvalstofen die door het lichaam worden verwijderd – Koolstofmonoxide, urine en
feces
Activiteiten ter overleving en bescherming
- Huid tegen externe factoren
, - Weerstand en immuniteit tegen bacteriële infecties
- Beweging om voedsel te krijgen, letsel te voorkomen en voortplanting
Mechanismen die vaak tot ziekte leiden
- Ontsteking (-itis)
- Tumoren
- Abnormale immunologische mechanismen (allergieën)
- Trombose, embolie, infarcering
- Degeneratie, slijtage
- Metabolische afwijkingen
- Genetische afwijkingen
Etiologie – Oorzaak van de ziekte
Pathogenese – Aard van het ziekteproces en de efecten op het normaal functioneren
Prognose – De verwachte afoop
Osmose – is passief transport (kost geen ATP) van water met de concentratiegradiënt
mee totdat er evenwicht is tussen de twee zijden van een semipermeabele
wand.
Intracellulaire vloeistof – Vloeistof in de cellen
Extracellulaire vloeistof – Lichaamsvloeistof die zich buiten de lichaamscellen bevindt,
de vloeistof tussen de cellen.
Hydrofiel – betekend wateraantrekkend
Hydrofobe – niet in water oplosbaar
Functie belangrijkste organellen:
Kern – bevat DNA en de 46 chromosomen. (stuurt de processen in de cel aan)
Mitochondriën – de energiecentrale van de cel
Ribosomen – Maken eiwit uit aminozuren (RNA)
Endoplastisch reticulum – maken lipiden, enzymen en hormonen
Golgi apparaat – Maken transportblaasjes om eiwitten buiten de cel te transporteren
Lysosomen – Maken enzymen voor de afbraak van organellen
Cytoskelet – Bestaat uit verschillende eiwitvezels voor de opbouw van organellen
Mitose – Celdeling, is een continu proces. Eerst vergroot de cel, dan wordt het DNA
gekopieerd, daarna groeit de cel nog verder en deelt zich.
Meiose – Geslachtcellen krijgen bestaat uit 2 delingen. Het DNA wordt uitgewisseld
(niet gekopieerd). De cel deelt zich dan in 2. Daarna nogmaals in 2 waarbij de
chromosomenparen gesplist worden. Zo houdt elke cel 23 chromosomen
over.
Passief transport – Geen energie verbruik, transport van stofen door een
semipermeabel membraam door osmose.
Actief transport – Gaat tegen de concentratie in, aangedreven door chemische energie