Samenvatting Pedagogiek
CH1
Lesdoelen:
- De student heeft kennis over de ontstaansgeschiedenis van de
pedagogiek
- De student analyseert welke elementen van een wetenschappelijke
stroming zichtbaar zijn in een pedagogische situatie (casus)
Ontstaansgeschiedenis van de pedagogiek
Voordat de pedagogiek een ofcicle wetenschap werd, werd er wel al over
opvoeding nagedacht. Dit werd vooral gedaan door flosofen. Maar net
zoals vele andere wetenschappen kreeg de pedagogiek pas status als een
wetenschap, nadat het een studie op de universiteit werd. Pedagogiek was
er om een theorie over de opvoeding te maken door middel van
nauwkeurige observaties te analyseren. Pedagogiek is een integratieve
theorie, dit wil zeggen dat hij streeft naar integratie van inzichten uit
verschillende disciplines (bijvoorbeeld psychologie, sociologie etc.)
Momenteel is er een trend van evidence based handelen. Dit wil zeggen
dat je handelt op basis van bewezen feiten en je theorie zo goed mogelijk
probeert toe te passen in je handelen.
Theorie of praktijk?
Er zijn verschillende opvattingen binnen de pedagogiek over het belang
van de theorie en de praktijk. De discussie over wat het belangrijkste is,
gaat dan ook al jaren door.
Johan Friedrich Herbart, een van de eerste hoogleraren in de
pedagogiek zegt dat theorie het belangrijkste is binnen de pedagogiek.
Pedagogiek is opvoeding tot deugdzaamheid. Wil je dit bereiken als
opvoeder dan moeten er duidelijke doelen worden gesteld. Deze doelen
houden in wat het deugdzame mens eigenlijk is. Ethiek en flosofe leveren
hiervoor het kader. Om te kunnen inzien hoe je deze doelen bereikt heb je
weer psychologie nodig. Hoe breng je de doelen over op je kind? Dit alles
begint dus bij wetenschappelijke inzichten wat zich uit in de praktijk.
Maar in dezelfde tijd legt ook Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher
de nadruk op deugdzaamheid. Hij zegt echter dat het gaat om de totale
persoon. Het gaat bij hem op het inwerken van de oude generatie op de
nieuwe generatie. Dit proces begint al voordat de wetenschap zich ermee
bemoeit. Friedricht stelt dus praktijk boven theorie, maar theorie kan wel
helpen bij de praktijk.
Methodisch vs. Intuïtief
Methodisch vs. Intuïtief handelen is bij pedagogiek erg moeilijk. De
noodzaak om snel te handelen kan namelijk het denken dwarsbomen.
Door middel van refecteren kan theorie onderdeel worden van je
handelen. Je refecteert achteraf dan telkens wat je beter had kunnen
doen of al goed deed en maakt zo de theorie eigen. Hierdoor zal je hem in
volgende situaties sneller kunnen toepassen en automatischer maken. Wel
, kan een kind altijd ‘nee’ zeggen en zijn pedagogische situaties uniek en
onherhaalbaar. Hierdoor blijft het altijd lastig.
Drie soorten theoriecn over opvoeding als praktijk (Brezinka)
Brezinka heeft drie soorten theorie over de opvoeding als praktijk
onderscheiden.
1. De theorie van de opvoedingswetenschap: Draait om FEITEN.
doet toetsbare en waardevrije uitspraken over de opvoeding. De
uitspraken moeten weerlegbaar zijn. Het gaat hierbij alleen om
beschrijven uitspraken (hoe iets is, was of zal zijn) en uitspraken met
een voorspellende en verklarende kracht. Het beste voor de theorie
van de opvoedingswetenschap zijn nomothetische uitspraken. Dit
zijn oorzaak-gevolg uitspraken en kunnen hierdoor helpen bij het
verklaren van gebeurtenissen of het voorspellen van
gebeurtenissen. Heb je kennis van oorzaak-gevolgrelaties, dan lijkt
het heel simpel om gewenste situaties of doelen te behalen. De
oorzaak-gevolg keten zet je in een oorzaak-gevolg schema. Het
gevolg is dan je gewenste situatie of gewenste doel en je oorzaken
zijn de middelen om je doel te behalen. Dit schema noemen ze een
technologie. Door middel van deze technologie maak je theoretische
kennis overzichtelijk en toepasbaar.
2. De (normatieve) flosofe van de opvoeding: Draait om
NORMEN EN WAARDEN. In deze theorie wordt kennis over normen
en waarden in de opvoeding bijeengebracht. Er is hierbij geen
spraken van herhaalbaarheid, toetsbaarheid en objectiviteit. Normen
en waarden worden geformuleerd en waar mogelijk van een niet-
wetenschappelijke rechtvaardiging voorzien.
3. De praktische theorie van de opvoeding/praktische
pedagogiek: Draait om het HANDELEN. Deze theorie is gebaseerd
op een heel specifeke keuze voor een bepaalde levensbeschouwing
(denk bijvoorbeeld aan een katholieke opvoeding). De opvoeding
kan niet wachten tot we alles weten over de feiten en normen en
daarom wordt zo’n dergelijke keuze al gemaakt. In de praktische
pedagogiek komt de kennis van de opvoedingswetenschappelijke
theorie en die van de flosofsche theorie bij elkaar om de opvoeder
te steunen in de vorm van aanwijzingen voor het handelen.
Kenmerken van een stroming
1. Kennisbron: waar wordt de kennis met betrekking tot de praktijk
vandaan gehaald?
2. Mens en kindbeeld: hoe zie je de aard/het wezen van het kind/de
mens?
3. Objectiviteit vs. Subjectiviteit (feiten vs. Waarden): waar is je
opvatting over de mogelijkheid en wenselijkheid van objectief
onderzoek doen? Hoe zie je de verhouding tussen feiten en
waarden? Is het mogelijk en wenselijk feiten af te leiden uit de
pedagogische praktijk?
CH1
Lesdoelen:
- De student heeft kennis over de ontstaansgeschiedenis van de
pedagogiek
- De student analyseert welke elementen van een wetenschappelijke
stroming zichtbaar zijn in een pedagogische situatie (casus)
Ontstaansgeschiedenis van de pedagogiek
Voordat de pedagogiek een ofcicle wetenschap werd, werd er wel al over
opvoeding nagedacht. Dit werd vooral gedaan door flosofen. Maar net
zoals vele andere wetenschappen kreeg de pedagogiek pas status als een
wetenschap, nadat het een studie op de universiteit werd. Pedagogiek was
er om een theorie over de opvoeding te maken door middel van
nauwkeurige observaties te analyseren. Pedagogiek is een integratieve
theorie, dit wil zeggen dat hij streeft naar integratie van inzichten uit
verschillende disciplines (bijvoorbeeld psychologie, sociologie etc.)
Momenteel is er een trend van evidence based handelen. Dit wil zeggen
dat je handelt op basis van bewezen feiten en je theorie zo goed mogelijk
probeert toe te passen in je handelen.
Theorie of praktijk?
Er zijn verschillende opvattingen binnen de pedagogiek over het belang
van de theorie en de praktijk. De discussie over wat het belangrijkste is,
gaat dan ook al jaren door.
Johan Friedrich Herbart, een van de eerste hoogleraren in de
pedagogiek zegt dat theorie het belangrijkste is binnen de pedagogiek.
Pedagogiek is opvoeding tot deugdzaamheid. Wil je dit bereiken als
opvoeder dan moeten er duidelijke doelen worden gesteld. Deze doelen
houden in wat het deugdzame mens eigenlijk is. Ethiek en flosofe leveren
hiervoor het kader. Om te kunnen inzien hoe je deze doelen bereikt heb je
weer psychologie nodig. Hoe breng je de doelen over op je kind? Dit alles
begint dus bij wetenschappelijke inzichten wat zich uit in de praktijk.
Maar in dezelfde tijd legt ook Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher
de nadruk op deugdzaamheid. Hij zegt echter dat het gaat om de totale
persoon. Het gaat bij hem op het inwerken van de oude generatie op de
nieuwe generatie. Dit proces begint al voordat de wetenschap zich ermee
bemoeit. Friedricht stelt dus praktijk boven theorie, maar theorie kan wel
helpen bij de praktijk.
Methodisch vs. Intuïtief
Methodisch vs. Intuïtief handelen is bij pedagogiek erg moeilijk. De
noodzaak om snel te handelen kan namelijk het denken dwarsbomen.
Door middel van refecteren kan theorie onderdeel worden van je
handelen. Je refecteert achteraf dan telkens wat je beter had kunnen
doen of al goed deed en maakt zo de theorie eigen. Hierdoor zal je hem in
volgende situaties sneller kunnen toepassen en automatischer maken. Wel
, kan een kind altijd ‘nee’ zeggen en zijn pedagogische situaties uniek en
onherhaalbaar. Hierdoor blijft het altijd lastig.
Drie soorten theoriecn over opvoeding als praktijk (Brezinka)
Brezinka heeft drie soorten theorie over de opvoeding als praktijk
onderscheiden.
1. De theorie van de opvoedingswetenschap: Draait om FEITEN.
doet toetsbare en waardevrije uitspraken over de opvoeding. De
uitspraken moeten weerlegbaar zijn. Het gaat hierbij alleen om
beschrijven uitspraken (hoe iets is, was of zal zijn) en uitspraken met
een voorspellende en verklarende kracht. Het beste voor de theorie
van de opvoedingswetenschap zijn nomothetische uitspraken. Dit
zijn oorzaak-gevolg uitspraken en kunnen hierdoor helpen bij het
verklaren van gebeurtenissen of het voorspellen van
gebeurtenissen. Heb je kennis van oorzaak-gevolgrelaties, dan lijkt
het heel simpel om gewenste situaties of doelen te behalen. De
oorzaak-gevolg keten zet je in een oorzaak-gevolg schema. Het
gevolg is dan je gewenste situatie of gewenste doel en je oorzaken
zijn de middelen om je doel te behalen. Dit schema noemen ze een
technologie. Door middel van deze technologie maak je theoretische
kennis overzichtelijk en toepasbaar.
2. De (normatieve) flosofe van de opvoeding: Draait om
NORMEN EN WAARDEN. In deze theorie wordt kennis over normen
en waarden in de opvoeding bijeengebracht. Er is hierbij geen
spraken van herhaalbaarheid, toetsbaarheid en objectiviteit. Normen
en waarden worden geformuleerd en waar mogelijk van een niet-
wetenschappelijke rechtvaardiging voorzien.
3. De praktische theorie van de opvoeding/praktische
pedagogiek: Draait om het HANDELEN. Deze theorie is gebaseerd
op een heel specifeke keuze voor een bepaalde levensbeschouwing
(denk bijvoorbeeld aan een katholieke opvoeding). De opvoeding
kan niet wachten tot we alles weten over de feiten en normen en
daarom wordt zo’n dergelijke keuze al gemaakt. In de praktische
pedagogiek komt de kennis van de opvoedingswetenschappelijke
theorie en die van de flosofsche theorie bij elkaar om de opvoeder
te steunen in de vorm van aanwijzingen voor het handelen.
Kenmerken van een stroming
1. Kennisbron: waar wordt de kennis met betrekking tot de praktijk
vandaan gehaald?
2. Mens en kindbeeld: hoe zie je de aard/het wezen van het kind/de
mens?
3. Objectiviteit vs. Subjectiviteit (feiten vs. Waarden): waar is je
opvatting over de mogelijkheid en wenselijkheid van objectief
onderzoek doen? Hoe zie je de verhouding tussen feiten en
waarden? Is het mogelijk en wenselijk feiten af te leiden uit de
pedagogische praktijk?