Sanctierecht , 1e kans, 3 april 2018 (18.30 uur – 21.30 uur, A. Jacobshal 03, digitaal)
Vraag 1. (5 punten)
Hoe zullen straftheoretici vanuit respectievelijk de retributivistische benadering, de utilitaristische
benadering en de herstelbenadering aankijken tegen de praktijk dat een veroordeelde
strafvermindering krijgt omdat hij spijt betuigt?
Vraag 2. (5 punten)
Hoe beoordeelt u vanuit de wet, de wetssystematiek en de inhoud van de desbetreffende sancties de
combinatie van:
a. een korte gevangenisstraf met een voorwaardelijke ISD (3 punten)
b. een levenslange gevangenisstraf en de maatregel van langdurig toezicht (2 punten)
Vraag 3. (5 punten)
Amanda wordt ervan verdacht (i) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 3 juli 2017 hennep te
hebben geteeld en (ii) op 3 juli 2017 hennep aanwezig te hebben gehad en (iii) in de periode van 1
januari 2017 tot en met 3 juli 2017 elektriciteit te hebben gestolen. De feiten zouden hebben
plaatsgevonden in de woning van Amanda. De officier van justitie besluit Amanda voor feit (i) niet te
vervolgen. Amanda wordt voor feit (ii) veroordeeld en van feit (iii) vrijgesproken. De officier van
justitie dient vervolgens een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in.
In de ontnemingsprocedure schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere
feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr op € 22.000-, bestaande uit € 19.000,- opbrengsten uit
hennepteelt en € 3.000,- voordeel uit de diefstal van de elektriciteit. De rechtbank overweegt
daartoe dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat Amanda zich in de periode van 1 januari 2017 tot
en met 3 juli 2017 schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit in haar
woning.
a. waarom beslist de rechtbank in een aparte procedure over de ontneming? (2 punten)
b. heeft deze rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in casu voldoende
met redenen omkleed? (3 punten)
Vraag 4. (5 punten)
Hoe verhouden in het detentierecht de beginselen van resocialisatie en minimale beperkingen zich
tot elkaar? Hoe beoordeelt u vanuit die verhouding de uitspraak van het EHRM in de zaak Hirst en de
toevoeging van Hoofdstuk Ia. in de RSPOG?
Vraag 1. (5 punten)
Hoe zullen straftheoretici vanuit respectievelijk de retributivistische benadering, de utilitaristische
benadering en de herstelbenadering aankijken tegen de praktijk dat een veroordeelde
strafvermindering krijgt omdat hij spijt betuigt?
Vraag 2. (5 punten)
Hoe beoordeelt u vanuit de wet, de wetssystematiek en de inhoud van de desbetreffende sancties de
combinatie van:
a. een korte gevangenisstraf met een voorwaardelijke ISD (3 punten)
b. een levenslange gevangenisstraf en de maatregel van langdurig toezicht (2 punten)
Vraag 3. (5 punten)
Amanda wordt ervan verdacht (i) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 3 juli 2017 hennep te
hebben geteeld en (ii) op 3 juli 2017 hennep aanwezig te hebben gehad en (iii) in de periode van 1
januari 2017 tot en met 3 juli 2017 elektriciteit te hebben gestolen. De feiten zouden hebben
plaatsgevonden in de woning van Amanda. De officier van justitie besluit Amanda voor feit (i) niet te
vervolgen. Amanda wordt voor feit (ii) veroordeeld en van feit (iii) vrijgesproken. De officier van
justitie dient vervolgens een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in.
In de ontnemingsprocedure schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere
feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr op € 22.000-, bestaande uit € 19.000,- opbrengsten uit
hennepteelt en € 3.000,- voordeel uit de diefstal van de elektriciteit. De rechtbank overweegt
daartoe dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat Amanda zich in de periode van 1 januari 2017 tot
en met 3 juli 2017 schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit in haar
woning.
a. waarom beslist de rechtbank in een aparte procedure over de ontneming? (2 punten)
b. heeft deze rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in casu voldoende
met redenen omkleed? (3 punten)
Vraag 4. (5 punten)
Hoe verhouden in het detentierecht de beginselen van resocialisatie en minimale beperkingen zich
tot elkaar? Hoe beoordeelt u vanuit die verhouding de uitspraak van het EHRM in de zaak Hirst en de
toevoeging van Hoofdstuk Ia. in de RSPOG?