Pedagogisch didactisch begeleiden H2: Ontwikkeling van kinderen
2.1 Ontwikkeling
2.1.1 Ontwikkeling als proces
Ontwikkeling komt tot stand door de biologische factoren groei en rijping, door
psychologische factoren als aanleg en persoonlijkheid en door de omgeving.
Rijping
Jean-Jacques Rousseau wordt gezien als de grondlegger van het idee dat
rijping de motor is tot ontwikkeling.
Rijping wil zeggen dat je ergens naartoe groeit.
Op rijpingsprocessen kan van buitenaf geen invloed worden uitgeoefend.
Kinderen hebben een natuurlijke drang om zich te ontwikkelen, voor zowel
lichamelijke of psychische processen Bij de activiteiten die je kinderen op
school biedt, houdt je rekening met rijpingsprocessen.
Om het rijpingsproces optimaal te laten verlopen, is een gunstige omgeving
nodig.
Behaviorisme (leren)
Tegenhanger van de rijpingstheorie
John Locke gaat ervan uit dat de mens als onbeschreven blad (tabula rasa)
ter wereld komt en alle kennis voortkomt uit ervaring.
Ivan Pavlov en John Watson ontwikkelden en onderbouwden de theorie dat
leren plaatsvindt door het effect dat gedrag heeft.
Deze theorie is verder uitgebreid en ontwikkeld door Burrhus Skinner.
Nieuw, gewenst gedrag wordt geleerd door het gedrag te bekrachtigen. Dat
kan in de vorm van een beloning, maar vooral ook door het te bevestigen.
Ongewenst gedrag wordt afgeleerd door het te negeren.
Albert Bandura zei dat mensen gedrag leren door naar het voorbeeld van een
ander te kijken: model-leren. Ook filmbeelden kunnen een model zijn.
De opvoeder speelt een doorslaggevende rol bij de ontwikkeling.
Een school moet kinderen heel nadrukkelijk bepaalde activiteiten aanbieden.
Het kind heeft een stimulans van buitenaf nodig om zich te ontwikkelen.
Interactionisme (rijping + leren)
Lev Vygotski ziet ontwikkeling als een wisselwerking tussen rijping en leren.
Hij maakt onderscheid tussen de zone van actuele ontwikkeling (= bij welke
functies het rijpingsproces is afgerond) en de zone van naaste ontwikkeling (=
de functies die nog aan het rijpen zijn)
In de zone van naaste ontwikkeling heeft leren invloed op de ontwikkeling
Hier grijpt de leerkracht daarom ook actief in om zo het ontwikkelingsproces te
stimuleren en te bevorderen.
, 2.1.2 Invloed op ontwikkeling
Hoe een kind zich ontwikkelt van baby tot volwassene hangt af van:
Factoren die in het kind zelf liggen;
Factoren in de fysieke en sociale omgeving waarin het kind opgroeit;
De interactie tussen al deze factoren.
2.1.3 Ontwikkelingsfasen
Als je in het onderwijs werkt, zijn de volgende drie perioden van belang:
Nul tot zes jaar;
Zes tot twaalf jaar;
Twaalf tot achttien jaar.
2.1.4 Ontwikkelingsaspecten
Kinderen ontwikkelen zich op verschillende terreinen. We maken hierbij onderscheid
tussen de volgende ontwikkelingsaspecten:
Lichamelijke ontwikkeling;
Cognitieve ontwikkeling;
Creatieve ontwikkeling;
Sociaal-emotionele ontwikkeling.
Lichamelijke ontwikkeling
Onder lichamelijke ontwikkeling valt de lichamelijke groei, de motorische
ontwikkeling en de zintuigelijke ontwikkeling.
Grove motoriek = lopen, rennen, zwemmen, skaten
Fijne motoriek = reiken, grijpen en hanteren van voorwerpen
Distale motoriek = hand-vingermotoriek verder van de romp
Proximale motoriek = motoriek dichter bij de romp
Cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling is de ontwikkeling van de begripsvorming, van het
denken.
Jean Piaget heeft een model ontwikkeld voor cognitieve ontwikkeling, die
verder is uitgewerkt en aangevuld door Lev Vygotski en Jerome Bruner.
Kritiek op Piaget omdat hij geen aandacht besteedt aan de invloed van taal op
de cognitieve ontwikkeling.
Egocentrische taal (Vygotski) = Kinderen lossen problemen op door middel
van zien, handelen en taal.
Hardop denken Innerlijke taal Innerlijke taal krijgt een sturende functie
Creatieve ontwikkeling
De vaardigheid om nieuwe dingen tot stand te brengen.