Al jaren dalen de criminaliteitscijfers in Nederland, zo ook het aantal zedendelicten. Waar in 2015 het
aantal opgehelderde seksuele misdrijven nog 3845 was, is dat aantal in 2017 gedaald naar 2180
(Centraal Bureau voor de Statstek, 2018). Toch vormen zedendelicten regelmatg het onderwerp
van de krantenkoppen. In een aantal van deze gevallen gaat het om daders die tjdens hun verlof van
of na vrijlatng uit de tbs-kliniek opnieuw de fout in gaan. Onderzoek van Hildebrand, de Ruiter en de
Vogel (2003) wijst uit dat in Nederland ongeveer 14% van de zedendelinquenten na afoop van de tbs
behandeling binnen drie tot acht jaar recidiveert met een zedendelict waarbij deze persoon opnieuw
veroordeeld is tot een gevangenisstraf van minimaal zes maanden of tbs.
Ter verlaging van dit recidivepercentage worden verschillende behandelmethoden gebruikt.
Steeds populairder worden libidoremmende behandelingen. Er vallen twee verschillende vormen te
onderscheiden. De eerste is het gebruik van psychofarmaca. Dit zijn middelen als antdepressiva en
antpsychotca welke een libidoremmend bijeeect hebben. De tweede methode is de hormonale
behandeling. Hierbij worden ant-androgenen zoals Cyproteronacetaat (CPA) en
Medroxyprogesteronacetaat (MPA) en Luteïnizing hormone-releasing hormone (LHRH-agonisten)
toegediend. Deze laatste vorm wordt in de volksmond ook wel chemische castrate genoemd (van
der Horst, Kogel & Schönberger, 2012). Het idee hierachter is dat de libido van zedendelinquenten
dusdanig verlaagd wordt waardoor zij niet opnieuw in de verleiding komen tot het plegen van een
seksueel misdrijf. Op dit moment wordt in veel tbs-klinieken in Nederland chemische castrate een
voorwaarde voor verlof (Opstelten, 2014). Echter, het gebruik van libidoremmende medicate kent
enorm veel nadelen. Er moet te alle tjden een belangenafweging gemaakt worden tussen het belang
van de samenleving en het indidivu. Deze afweging hebben wij zelf ook gemaakt en zijn tot de
conclusie gekomen dat libidoremmende behandelingen ter verlaging van het recidivepercentage van
zedendelinquenten niet langer mag worden toegepast bij terbeschikkinggestelden. In de volgende
paragraaf zullen wij de voorargumenten bespreken. Daarna zullen wij de tegenargumenten
benoemen en weerleggen om zo in de conclusie ons standpunt nogmaals duidelijk te maken.
Voorargumenten
De belangrijkste nadelen van het gebruik van libidoremmende middelen zijn de vele bijwerkingen die
de gezondheid van de zedendelinquent kunnen schaden. Zowel psychofarmaca als hormonale
behandelingen kunnen leiden tot gewichtstoename, misselijkheid, vervrouwelijking, opvliegers, een
te hoog bloedsuikergehalte, leverklachten, vermoeidheid, slaperigheid, depressie, angst, lagere
zelfwaarding, trombose, hoge bloeddruk, hoofdpijn, hartklachten en botontkalking (EFP, 2008).
Specifek bij psychofarmaca kunnen ook klachten als verminderde eetlust, duizeligheid, diarree
obstpate ontstaan (De Waag, 2001). Veelvoorkomende bijwerkingen bij hormonale behandelingen
zijn kortademigheid, een droge huid, spierzwakte, haaruitval, geelzicht, overmatg passen, krimping
van zaadballen en afname van hoeveelheid zaad (De Waag, 2001). Tegenwoordig wordt vaker
gebruik gemaakt van LHRH-agonisten als libidoremmers. Deze hebben minder ernstge bijwerkingen
dan psychofarmaca en hormonale behandelingen maar hebben wel een hogere kans op
botontkalking en osteoporose bij langdurig gebruik. Daarnaast moet worden opgemerkt dat het
testosterongehalte in de eerste weken van de behandeling juist stjgt door LHRH-agonisten waardoor
het libido juist toeneemt. Om dit tegen te gaan wordt deze medicate in eerste instante
gecombineerd met een hormonale behandeling. In alle gevallen is er dus sprake van veel, soms
ernstge, bijwerkingen waar de terbeschikkinggestelde mee te maken kan krijgen. Het is zelfs bekend
dat onomkeerbare chemische castrate kan ontstaan bij een behandelingsduur van langer dan twee
jaar. Hiermee wordt voortplantng onmogelijk gemaakt. (Reill, Devia & Hudson, 2000). Verder is het
zo dat libido-afname niet het hoofddoel is van de gebruikte medicate, het verlies van libido treedt
dus niet altjd in. Uit onderzoek van Malcolm, Andrews en Quinsey (1993) blijkt dat iets minder dan
de helf van de deelnemers een lage respons had. Dat wil zeggen dat zij niet boven 20 procent van
volwaardige erecte konden komen. Uit het oogpunt van de gezondheid van de zedendelinquenten
, zijn wij van mening dat de schade die deze behandeling aan kan richten erger is dan de positeve
werking die het mogelijk (niet) intreedt.
Een tweede argument gaat in op de eeectviteit van de behandeling. Zoals hierboven al
benoemd is het niet gezegd dat de libidoremmende middelen daadwerkelijk zorgen voor afname van
seksuele opwindbaarheid, interesse en agressie. Ervanuit gaand dat de medicate wel zorgt voor een
verlaging van het testosterongehalte wil dit niet dit niet meteen zeggen dat dit voor iedereen de
geschikte oplossing is. Uit slechts één onderzoek is gebleken dat er een positef verband is tussen het
testosteronniveau en seksuele agressie (Studer, Aylwin & Reddon, 2005). Nu zijn er niet veel
onderzoeken uitgevoerd naar dit verband maar uit drie verschillende studies blijkt dat
zedendelinquenten geen hoger dan gemiddeld testosterongehalte hebben (van der Horst,
Schönberger & De Kogel, 2012). Het lijkt er dus op alsof een verhoogd testosterongehalte niet de
oorzaak is achter het seksuele wangedrag. Een behandeling ter verlaging van het testosteron zal
wellicht bijdragen het verlagen van het libido, en daarmee de recidive, maar pakt het probleem niet
bij de oorzaak aan. Hetzelfde geldt voor de verschillende groepen zedendelinquenten. Uit onderzoek
van dr. Inge Hempel (2017) blijkt dat een kwart van de zedendelicten niet gepleegd wordt uit lust. In
deze gevallen spelen moteven als boosheid, wraak en middelengebruik een rol. Het verlagen van het
libido zal ook bij deze groep mensen de oorzaak van het probleem onbehandeld laten. Daarnaast
blijkt dat slechts 34% van de mannelijke terbeschikkinggestelde zedendelinquenten recidiveert met
een seksueel delict. In 47% van de recidivegevallen gaat het om een niet-seksueel gewelddadig delict
(Hildebrand, de Ruiter & de Vogel, 2003). In dit geval zal het behandelen met libidoremmers niet
leiden tot een recidiveafname onder zedendelinquenten. Een laatste punt in het kader van
eeectviteit is dat de libidoremmende medicate de grootste kans op recidiveverlaging heef bij
hyperseksuelen. Dit zijn over het algemeen de mensen die als hoog-risico bestempeld worden (van
der Horst, Kogel & Schönberger, 2012). Volgens het beleidskader van het Ministerie van Veiligheid en
Justte moet eerst een risicotaxate moet worden uitgevoerd alvorens de medicate wordt
toegediend (Teeven, 2013). Echter, zedendelinquenten met een enorm hoog risico word mogen niet
op verlof en worden ook niet ontslagen uit de tbs-kliniek. Aangezien de medicate alleen wordt
toegedaan tjdens de verlofperiode of na ontslag gaat het in de praktjk gaat het dus om mensen met
een matg of licht risico. Hierdoor krijgen de mensen met het hoogste risico de medicate niet
toegediend, terwijl de behandeling juist op die doelgroep de beste werking heef. Het middel schiet
hiermee zijn doel dus voorbij.
Een derde argument is dat libidoremmende middelen enkel in mogen worden gezet als
ultmum remedium, er mag dus geen alternatef zijn (Dijkhoe, 2016)). Dit alternatef is er wel.
Cogniteve gedragstherapie is een therapievorm waarbij getracht wordt de seksuele fantasieën van
de zedendelinquent te veranderen. Deze therapie blijkt weliswaar minder eeectef dan medicate
maar hierbij wordt gedoeld op het feit dat de therapie minder goed aanslaat bij mensen met een
hoog risico (Nieuwenhuizen et al., 2011). Aangezien, zoals in de vorige paragraaf genoemd, hebben
libidoremmers inderdaad het grootste eeect op de groep met het hoogste risico maar zijn dit precies
die mensen die niet in aanmerking komen voor verlof of vrijlatng en dus ook geen medicate
toegediend krijgen.
Het vierde en laatste argument betref de korte termijn werking van de libidoremmers. Waar
bij het eeectviteitsargument benoemden dat de medicatebehandeling mogelijk helemaal geen
eeect heef is het ook nog zo dat deze oplossing van tjdelijke aard is (de Ruiter & Veen, 2005).
Anders dan de naam chemische castrate suggereert zijn de gevolgen namelijk niet onomkeerbaar.
Op het moment dat men stopt met de medicate zal het testosteronniveau stjgen en de libido
terugkomen. Dit vormt nog geen probleem wanneer de medicate tjdens het verlof wordt gebruikt,
het gaat daarbij immers om een tjdelijke vrijlatng. Dit dient dan ook vooral ter bescherming van de
maatschappij. Dit wordt anders wanneer de medicate wordt toegepast bij de defniteve vrijlatng.
Hierbij dient het middel ter voorkoming van recidive maar dit werkt alleen wanneer de medicate
blijvend gebruikt wordt. Over de duur van de behandeling worden verschillende aanbevelingen
gedaan. Op dit moment varieert de duur van vier maanden tot levenslang maar in verreweg de
meeste gevallen duurt de hormonale behandeling niet langer dan een jaar (EFP, 2008). Mocht het