Hoofdstuk 4 C (Circulation)
4.1 Basale concepten van de circulatie
De microcirculatie van de weefsels en organen registreert continu de plaatselijke behoefte,
die op hun beurt rechtstreeks invloed op de bloedvaten hebben. Deze vaten worden hierdoor
wijder of nauwe, zodat de plaatselijke bloedstroom precies is afgestemd op het niveau dat
nodig is voor de activatie van het weefsel.
De sinusknoop bevind zich in het rechteratrium. De cellen van de sinusknoop genereren
autonoom actiepotentialen. Dat actiepotentiaal zal nabijgelegen spiercellen van het
rechteratrium exciteren. Deze cellen exciteren weer aangrenzende cellen. Cellen van het
rechteratrium stimuleren vervolgens cellen van het linkeratrium. Uiteindelijk zullen beide atria
gedepolariseerd zijn. Vanuit de atria worden de signalen via de AV-knoop – bundel van His –
bundeltakken – purkinjevezels voortgeleid naar de spiermassa van de ventrikels waardoor
de ventrikels depolariseren. Zodra de linkerventrikel contraheert, neemt de druk in het
ventrikel snel toe en wrodt hoger dan in de aorta. Hierdoor opent de aortaklep zich en pompt
het linkerventrikel zijn inhoud in de aorta. Aan het eind van de systole is de aortadruk hoger
in dan in het linkerventrikel, wat tot een korte periode van terugstroming leidt. Door deze
terugstroming klapt de aortaklep dicht.
Bloedvolume totale hoeveelheid bloed die zich in de grote en kleine circulatie bevindt.
Bloeddruk de kracht die door het bloed wordt uitgeoefend op een oppervlakte-eenheid
van de vaatwand.
MAP (Mean Arterial Pressure) gemiddelde bloeddruk in het arteriële systeem.
Cardiale reserve maximumpercentage van mogelijke toename in hartminuutvolume
vergeleken met het hartminuutvolume in rust. Bij jonge gezonde mensen is dit 300%-400%.
Slagvolume volume aan bloed dat per hartslag in de circulatie wordt gepompt.
Cardiac output (hartminuutvolume) de hoeveelheid bloed die per minuut door het hart in
de aorta wordt gepompt.
Totale perifere weerstand totale weerstand van alle perifere vaten.
De afname van de bloeddruk wordt gedetecteerd door arteriële baroreceptoren en andere
receptoren die gevoelig zijn voor de mate van uitrekking van de binnenwand van een
bloedvat. Dit leidt tot stimulering van het sympthische systeem waardoor vasoconstrictie van
de arteriolen, vernauwing van de venen en verhoogde activiteit van het hart optreden.
4.2 Circulatoire shock
Circulatoire shock houdt in dat er onvoldoende bloed door het lichaam stroomt om een
adequate weefsel- en orgaanperfusie te handhaven. Het kan optreden ten gevolge van
afname van het hartminuut volume door oorzaken die de pompfunctie van het hart
beïnvloeden of factoren die de veneuze terugvloed naar het hart verminderen.
Bij shock komen als gevolg van weefselhypoperfusie toxische stoffen uit de weefsels vrij,
waaronder histamine, bradykinine en diverse enzymen. Deze stoffen kunnen en verdere
achteruitgang van de hemodynamiek veroorzaken.
Andere aangedane organen bij een shock zijn:
- Lever: onvoldoende doorbloeding om het nodige intensieve metabolisme in de levercellen
te kunnen onderhouden. Hierdoor treedt leverfalen op, met een snelle toename van
afvalproducten in het bloed af gevolg.
- Nieren: necrose optreden van niertubili. Hierdoor kan de patiënt geen urine meer
produceren waardoor, zelfs na herstel van de circulatie, hij dialyseafhankelijk kan worden.