Macht, conformisme en gehoorzaamheid
Motieven en behoeften die ons normaal gesproken een goede dienst bewijzen, kunnen ons
het verkeerde pad op leiden indien zij geprikkeld, aangewakkerd of gemanipuleerd worden
door omgevingskrachten wier macht wij niet herkennen. Daarom is het kwaad
alomtegenwoordig. Wat ik in dit hoofdstuk wil aantonen, is dat de meest aangrijpende
voorbeelden van aangestuurde gedragsverandering of ‘controle over de geest’ niet het
gevolg zijn van exotische vormen van beïnvloeding, zoals hypnose, psychofarmaca of
‘hersenspoeling’, maar eerder veroorzaakt worden door de systematische manipulatie van
heel gewone aspecten van de menselijke aard, gedurende een bepaalde tijd in een beperkte
ruimte.
In dat opzicht geloof ik in de stelling van Lewis dat het fundamentele verlangen ‘erbij’ te
horen en niet ‘erbuiten’ te staan, een krachtige drijfveer levert voor de transformatie van
menselijk gedrag, die mensen over de grens van goed naar kwaad duwt.
Een van de sociale krachten die mensen, en vooral adolescenten, ertoe drijft om rare dingen
– zeg maar alles – te doen om geaccepteerd te worden, is groepsdruk. Groepsdruk werkt
alleen als iemand vanuit zichzelf druk ervaart om als Mij door Hen geaccepteerd te worden.
De kracht die van deze behoefte uitgaat, verwerft dubbele intensiteit door war Lewis ‘de
vrees om erbuiten gelaten te worden’ noemde. Deze angst voor afwijzing kan iemands
initiatief verlammen en zijn persoonlijke autonomie tenietdoen als hij geaccepteerd wil
worden.
Hoe onderzoek de macht van omstandigheden onthult
Het Stanford Prison Experiment maakt onderdeel uit van een bonte verzameling
onderzoeken die aantonen hoe machtig sociale relaties zijn en hoezeer de werkelijkheid
onderhevig is aan sociale constructie. Groepen zorgen ervoor dat we dingen doen die we
gewoonlijk niet zouden doen als we in ons eentje waren, maar zij hebben meestal een
indirecte invloed door eenvoudigweg het normatieve gedrag dat de groep ons wil laten
intimideren en uitvoeren, voor te doen. Een autoriteit daarentegen beïnvloedt ons vaak
directer en minder subtiel: “jij doet wat ik zeg.’
Pas op: misschien houdt u uzelf voor de gek
De meesten van ons construeren zelf beschermende, het eigenbelang dienende,
egocentrische vooroordelen die ons het gevoel geven een uitzondering te zijn – in onze
eigen ogen zijn wij nooit gewoon, maar op zijn minst ‘bovengemiddeld’. Zulke cognitieve
vertekeningen hebben een waardevolle functie: ze vergroten ons gevoel van eigenwaarde en
beschermen ons tegen ’s levens tegenslagen.
Maar deze vooroordelen kunnen ook verkeerd uitpakken, doordat ze ons verblinden voor
de overeenkomsten die er tussen ons en anderen bestaan, en ons verwijderen van de
realiteit dat mensen die net zoals wij zijn zich in bepaalde negatieve omstandigheden slecht
gedragen. Dit betekent dat u best tot de conclusie zou kunnen komen dat u nooit zou doen
wat de meerderheid wel heeft gedaan, omdat u, uiteraard, de uitzondering op de regel vormt.
Deze overtuiging maakt u des te kwetsbaarder voor omgevingslichten, juist omdat u hun
macht onderschat door uw eigen macht te overschatten.
Ik nodig u dus uit dat vooroordeel tijdelijk op te schorren en u voor te stellen dat wat de
meerderheid in deze experimenten gedaan heeft, ook in uw geval een redelijke voorspelling
oplevert. Alleen als we onderkennen dat wij in ons menselijk bestaan allemaal onderhevig
zijn aan dezelfde dynamische krachten, kan nederigheid prioriteit krijgen boven ongegronde
trots en kunnen we onze kwetsbaarheid voor omgevingskrachten beginnen te erkennen.
, Klassiek onderzoek naar conformisme
Conformisme = het aanpassen van zichzelf aan het gedrag en de opvattingen die heersen
in een bepaalde groep met als doel geaccepteerd te worden binnen deze groep. Binnen de
groep heerst er conformiteitsdwang. Dit is de dwang tot aanpassing aan de opvattingen en
gedragingen die binnen de groep heersen.
De Turkse psycholoog Muzafer Sherif geloofde dat Amerikanen over het algemeen naar
conformisme neigden, omdat hun democratie de nadruk legt op gemeenschappelijke
standpunten. Sherif ontwierp een ongewoon middel in een nieuwe situatie, om te laten zien
dat individuen zich conformeren aan de groepsnorm.
Asch’ onderzoek naar conformisme
Sherifs conformisme-effect werd in 1955 betwijfeld door een andere sociaal psycholoog,
Solomon Asch, die geloofde dat Amerikanen onafhankelijker waren dan Sherifs werk deed
vermoeden. Hij was ervan overtuigd dat Amerikanen zelfstandig zouden handelen, zelfs als
ze geconfronteerd zouden worden met een meerderheid die de wereld anders waarnam dan
zijzelf. Het probleem met het experiment van Sherif, betoogde Asch, was dat het zo
dubbelzinnig was, zonder een betekenisvol referentiekader of een persoonlijke norm.
We kunnen pas werkelijk spreken van conformisme, dacht Asch, als de groep de
fundamentele waarneming en overtuigingen van het individu aanvecht – door te zeggen dat
X Y is, ook al is dat duidelijk onjuist. Asch voorspelde dat onder dergelijke omstandigheden
slechts een paar mensen zich zouden conformeren; de meesten zouden zich ferm
verzetten tegen extreme groepsdruk die ontegenzeggelijk onterecht was.
Een van de waardevolle bijdragen aan ons begrip van conformisme komt uit onderzoek dat
twee fundamentele mechanismen belicht die bijdragen aan groepsconformisme:
1. Uit behoefte aan informatie: andere mensen hebben vaak visies die ons helpen
beter onze weg in de wereld te vinden.
2. De behoefte aan normen: andere mensen zullen ons eerder accepteren als we het
eens zijn met hen.
Conformisme en onafhankelijkheid prikkelen de hersenen op verschillende wijzen
Nieuwe technologieën, die in Asch’ tijd nog niet voorhanden waren, bieden een fascinerende
inkijk op de rol van de hersenen bij sociaal conformisme. Onderzoekers kunnen
tegenwoordig het actieve brein gadeslaan door middel van een scanapparaat dat signaleert
welke gedeelten in de hersenen geactiveerd worden bij het uitvoeren van verschillende
mentale handelingen. Deze techniek staat bekend als functional magnetic resonance
imaging (FMRI). Als we zien welke mentale taken uitgevoerd worden door de verschillende
hersengedeelten, kunnen we ook begrijpen wat het betekent dat ze geactiveerd worden door
een specifieke taak.
De hoofdonderzoeker van dit experiment, de neurowetenschapper Gregory Berns, kwam tot
de conclusie dat ‘we denken dat zien geloven is, maar deze studie toont aan dat zien
geloven is wat de groep je vertelt dat je moet geloven’. Dit betekent dat de zienswijzen van
anderen, uitgekristalliseerd in een groepsconsensus, daadwerkelijk van invloed zijn op hoe
we belangrijke aspecten van de werkelijkheid waarnemen, waardoor de waarheidskwestie
een heikel punt wordt. Alleen door ons bewust te worden van onze ontvankelijkheid voor
groepsdruk, kunnen we beginnen met het opbouwen van verzet tegen conformisme,
wanneer het niet in ons eigenbelang is om ons over te geven aan de kuddegeest.