ONDERZOEKSCYCLUS
1. Probleemanalyse
> AANLEIDING; Wat is de aanleiding voor het onderzoek (en wie is de opdrachtgever)?
> PROBLEEMSTELLING; Wat het probleem/hetgeen dat nog onbekend is?
> DOELSTELLING; Wat is de doelstelling van het onderzoek? Wat kun je met de resultaten?
> ONDERZOEKSVRAAG EN SUBVRAGEN; Wat is de onderzoeksvraag?
> HYPOTHESES Wat zijn de hypotheses?
2. Onderzoeksontwerp
> Operationaliseren – alle termen en begrippen uit probleemanalyse defniëren
> Onderzoekstype en -soort
* Onderzoekstype
> Beschrijvend – laten zien welke inzichten er al zijn
> Exploratiee – uitzoeken welke nieuwe inzichten nog gevonden kunnen worden
> Toestend – checken oe je vermoedens (hypotheses) correct zijn
* Onderzoekssoort
> Kwantitatiee – uitgedrukt in getallen (vaak resultaat in cijeers en grafeken)
> Kwalitatiee – bredere vorm, uitkomst in taal; observaties; case studies oe interviews
> Populatie en steekproee trekken – Populatie is gehele groep, steekproee is gedeelte waar je
onderzoek op uitvoert. Nemen van een steekproee heet sampling. Vanuit steekproee
een conclusie trekken voor de gehele groep (populatie) heet generaliseren.
> Onderzoeksmethode
* Onderzoeksgereedschap – hoe je ineormatie gaat verzamelen (enquete, interviews)
* Instrumenten – welke instrument gebruik je om de variabelen te meten
* Procedure – stap voor stap beschrijven hoe het onderzoek verloopt
> Representativiteit, biases en kwaliteit – hoe succesvol is mijn onderzoeksontwerp?
* Representativiteit – hoe representatiee is mijn steekproee voor de populatie?
* Kwaliteit van meningen – gebruik ik goede instrumenten?
* Bias – de mate waarin de objectiviteit van metingen wordt aangetast door ruis
3. Dataverzameling
4. Data-analyse
5. Rapportage
> Resultaat beschrijven: eerst in woorden en dan met bewijs.
* Principe 1: Eerst het resultaat in begrijpbare woorden, daarna ondersteunen met
een samenvatng van je data
* Principe 2: Eerst beschrijven wat je gedaan hebt, daarna het resultaat beschrijven
> Interpreteren: wat kun je wel en niet met deze resultaten?
* Dus.. en nu?
* Welke conclusie mag je niet trekken/waardoor zou deze onjuist kunnen zijn?
> Verslag schrijven: het omschrijven van de resultaten in een verhaal.
, STATISTIEKVORMEN
Variabele – alles wat in een onderzoek gemeten, uitgevraagd oe bijgehouden wordt.
Dataset – ineormatie over alle participanten + variabelen. Rij = participant. Kolom = variabele
μ – populatie gemiddelde
σ – populatie standaarddeviatie
– steekproee gemiddelde
s – steekproee standaarddeviatie
Statistiekvormen
> Beschrijvende statistiek – steekproee en populatie zijn hetzelede
> Ineerentiële statistiek – steekproee is kleiner dan de populatie
Categorisch Contnues
(gemeten in groepen) (gemeten op een schaal)
Meetniveaus Nominaal Interval
(kwalitatieve classifcatie (numerieke schaal, geen
absoluut 0-punt)
zonder ordening)
bijvoorbeeld termperatuur
Ordinaal Rato
(kwalitatieve classifcatie (numerieke schaal, wel
met ordening) absoluut 0-punt)
X – waarde bijvoorbeeld lengte/gewicht
Σ – Sigma; de som van iets
n – het aantal waardes
– gemiddelde waarde
Frequentietabel – tabel met hoe vaak bepaalde waardes voorkomen
> Aboslute erequentie – exacte aantal van een bepaalde waarde
> Relatieve erequente – percentage dat een waarde voorkomt
> Geldige erequentie – hoeveelheid die een geldig antwoord gegeven heet
> Cumulatieve (relatieve) erequentie – opgeteld bij voorgaande groepen (percentage)
Centrummaat – punt waar het grootste deel van de data geconcentreerd is
> Gemiddelde – gemiddelde van alle getallen
> Mediaan – de middelste waren (gemiddelde van de 2, indien even getallen)
> Modus – meest voorkomende getal/waarde
Variatie – geeft aan hoeveel de data verschillen
> Bereik – verschil tussen hoogste en laagste waarde
> Kwartielen
* Oneven aantal – Mediaan = Q2. Medianen van 1e helft = Q1, van 2e helft = Q3
* Even aantal – Mediaan (gemiddelde van 2 middelste getallen) = Q2, etc.
* Interkwartielaestand – Inter Quartile Range (IQR) = Q3 – Q1
> Standaarddeviatie – gemiddelde aewijking (zie eormule)