Lesdoelen:
Je begrijpt hoe het onderdeel fysiologie is opgebouwd en wat je hiervoor moet kennen en
kunnen
Je benoemt de verschillende niveaus waaruit het menselijk lichaam is opgebouwd
Je legt uit wat de kenmerken ( structuur en functe van verschillende soorten weefsels zijn
Je benoemt de verschillende orgaanstelsels en hun functe en geef hun plek in het lichaam
aan
Je begrijpt hoe het onderdeel fysiologie is opgebouwd en wat je
hiervoor moet kennen en kunnen
Anatomie: hoe is het lichaam opgebouwd?
Fysiologie: hoe werkt het / wat is de functe?
Je benoemt de verschillende niveaus waaruit het menselijk lichaam is
opgebouwd
Opbouw organisme: Cel weefsel orgaan orgaanstelsel / functesystemen organisme.
Cel: energie produceren. Cellen organiseren zichzelf in de vorm van weefsels.
Weefsel: verzameling cellen met ( vaak dezelfde bouw en functe. ijvoorbeeld: bloed heef wiiet
rode bloedcellen ( niet dezelfde bouw .
Orgaan: geheel van weefsels die dienen om een bepaalde functe uit te oefenen.
Orgaanstelsels: skelett zenuwstelselt spierstelselt ademhalingsstelselt bloedvatenstelselt
verteringsstelsel.
Je legt uit wat de kenmerken ( structuur en functie ) van verschillende
soorten weefsels zijn
Weefsels:
Histologie : weefselleer
Vier groepen weefsels:
Dekweefsel / epitheel
o Huidt holle organen in ons lichaam ( longent darmen
o Aaneengesloten laag cellen ( kan meerlagig of eenlagig zijn
o Overal in het lichaam begrenzende deklagen
Steunweefsel ( bott kraakbeent bloed
o Verbindende steunende of verzorgende functe
o Gespecialiseerde cellen omgeven door matrix = (tussencelstof
o Matrix bepaalt functe van steunweefsel ( bij bloed is het heel anders dan bij boien
Spierweefsel
, o Lange spiervezels die kunnen samentrekken
Zenuwweefsel
o Opgebouwd uit zenuwcellen ( neuronen
o Geleiden signalen
Cellen:
Cel bestaat uit cel organellen.
Wat hebben cellen nodig:
randstof cellen:
Koolhydraten
Veien
Eiwiien
ouwstof cel:
Eiwiien
Veien
Water
Vitaminen en mineralen
Zuurstof
Water dient als waterbufer zo warmen we niet te snel op of koelen we te snel af. Water is ook
een transportmiddel
Extern milieu: alles wat buiten het lichaam is ( longen staan in contact met extern milieu : ademen
lucht van buiten naar binnen ( darmen eten dat je eett naar het lichaam
Intern milieu: alles wat niet in contact staat met de buitenwereld.
Homeostase: constant houden van het interne milieu. ( bijvoorbeeld zweten en rillen ( te warm en te
koud .
2 regulatestelsels: werken samen om alles in het lichaam te regelen
Zenuwstelsel
Hormonale stelsel
Je benoemt de verschillende orgaanstelsels en hun functie en geeft
hun plek in het lichaam aan
Een orgaanstelsel is een groep samenwerkende organen die samen een bepaalde functe uitvoeren.
Er zijn 11 verschillende soorten orgaanstelsels:
Skelet ( beenderstelsel beschermt organent maakt beweging mogelijkt zorgt voor
stevigheidt geef vorm aan je lichaamt maken van bloedcellen.
Spierstelsel maakt beweging mogelijk
Ademhalingsstelsel opnemen van zuurstoft afgeven van koolstofdioxide
loedvatenstelsel vervoert bloed met zuurstof en voedingsstofen naar de organent
vervoert bloed met CO2 en andere afvalstofen naar de nieren en longen.
Verteringsstelsel knipt voedsel in kleine opneembare brokjes die de darmen kunnen
opnemen.
Zenuwstelsel bestaat uit de hersenent ruggenmerg en zenuwen. Aansturen van spieren en
het verwerken van informate uit zintuigen.
Huid beschermt tegen ziekteverwekkerst isoleert het lichaam en regelt de
lichaamstemperatuurt afgeven van vocht.
Voortplantngsstelsel voortplanten