Samenvatting Fysiotherapie jaar 2
Het neuron
Neuron: Zenuwcel
Neuriet: Uitloper van een zenuwcel (dendriet of
axon) Prikkel: Impuls
Functie van een zenuwcel: Het ontvangen,
geleiden en het weer doorgeven van prikkels.
Het receptieve deel: Hier ontvangt de cel prikkels.
Het conductief (geleiding) deel: Hier wordt de
prikkel doorheen geleid.
Het transmissief deel: Hier wordt de prikkel overgedragen op een andere
(zenuw/spier)cel.
Het rode puntje: Axon heuvel/hillock.
Alle prikkels die in het receptieve deel komen, verzamelen zich in de axon
heuvel/hillock. Als hier de drempelwaarde bereikt wordt, vindt er een actiepotentiaal
plaats die over de axon verder gedragen wordt naar een andere cel.
Het motorische neuron komt het meest overeen met het
bouwplan. Het cellichaam met de dendrieten bevindt
zich namelijk in het ruggenmerg. Het axon loopt vanaf
daar helemaal naar de periferie. Het schakelt pas over
in de periferie op het effector orgaan (bvb spiercel).
Het sensorisch neuron wijkt af van het bouwplan. Het
komt vanuit de periferie in tegenstelling tot het
motorisch neuron. In de periferie liggen sensoren, hier
wordt de sensorische neuron geprikkeld. De prikkel
gaat omhoog en komt net voor het ruggenmerg langs
het cellichaam, naast het axon, waarna het het ruggenmerg
ingaat.
Elektrische lading van een zenuwcel
Het inwendige van een zenuwcel in rust heeft een
negatieve
De Na -K pomp lading t.o.v.
staat de buitenkant. Lading: -70 mV
eerst
open naar de binnenkant van
Elektrische gradiënt: Er is een elektrisch verschil
de cel. Natrium
tussen stroomt
de binnen- eninbuitenkant
de van de cel.
pomp, Kalium stroomt in de cel.
Dit komt door het verschil in concentratie van Kalium- en
ATP (energie)
Natrium is hiervoor
ionen binnennodig.
en buiten de cel: Concentratie
Hiermee
gradiënt. worden de ionen over
de membraan
Binnenin de getransporteerd.
cel: Veel Kalium ionen.
Door de Na
Buiten de cel:-K pomp
Veelblijft het ionen.
Natrium
rustmembraanpotentiaal dus op
-70 mV.
De celwand (het membraan) is niet helemaal dicht voor
De functie van de Na -K pomp
Kalium- en Natrium ionen, dus die kunnen erin en eruit lekken. Echter wordt het
is dan ook: Rustsituatie
membraanpotentieel niet ‘0’ na lang wachten: Door Na-K pomp. De verschillen
handhaven.
verdwijnen dus ook niet.
Actiepotentiaal
Depolarisatie : Een prikkel komt in het
receptieve deel van neuron → de
membraan gaat meer natrium doorlekken
, membraanpotentiaal stijgt.
Bij veel prikkels: membraanpotentieel stijgt
en bereikt de drempelwaarde -55 mV. Dan
treedt een actiepotentiaal in werking. De
potentiaal is dan heel prikkelbaar: De
absolute refractere periode.
Repolarisatie: Nadat de actiepotentiaal in
werking is getreden → membraanpotentiaal
stijgt tot +30 mV en daalt weer naar 85 mV.
Hierdoor moeten er extra veel prikkels
komen om de drempelwaarde te bereiken
en is het potentiaal dus minder prikkelbaar:
De relatief refractere periode. Vanaf hier
bereikt het potentiaal de
rustmembraanpotentiaal weer.
Er zijn veel prikkel nodig om de membraanpotentiaal naar de drempelwaarde te laten
stijgen. Dit kan op twee manieren:
1. Summatie van plaats: Meer
dendrieten ontvangen tegelijkertijd een actiepotentiaal van een andere cel. 2.
Summatie van tijd: Er worden meer prikkels achter elkaar gestuurd waardoor
de waarde optelt.
Continue geleiding: Natrium ionen stromen de cel in,
Kalium ionen eruit → actiepotentiaal. Nu vindt
depolarisatie plaats wat gebeurt in het hele axon. De
actiepotentiaal schuift steeds meer naar rechts over een
ongemyeliniseerde axon. Niet naar links vanwege
,hyperpolarisatie (relatief refractere periode/cel minder prikkelbaar). (De verplaatsing
gaat langzaam door axon (2m per 1 sec)).
Saltatoire (sprongsgewijze) geleiding: Dit is de oplossing tot een snellere
verplaatsing van het actiepotentiaal. De actiepotentiaal schuift hierbij over een
gemyeliniseerde axon met isolatiecellen (glia cellen). Deze isolatiecellen laten
stukjes onbedekt op de axon waardoor de actiepotentiaal via de ruimtes tussen de
glia cellen ‘springt’ en dus sneller kan
verschuiven. Dikke gemyeliniseerde
vezels zijn dus sneller!
Sensorische neuronen:
• Dunne ongemyeliniseerde vezels
zijn voor pijn en temperatuur. Het is
alleen geschikt voor het vegetatieve
zenuwstelsel.
• Dikke vezels zijn voor tast en huid
mechanoreceptoren.
• De dikste vezels zijn voor
proprioceptoren in skeletspieren.
Alle skeletspieren zijn geïnnerveerd
door dikke snelle zenuwvezels.
De stevigheid van de zenuw komt door:
• Endoneurium (om axonen).
• Perineurium (om bundels axonen).
• Epineurium (om meerdere bundels → de perifere zenuw).
Prikkeloverdracht
De prikkeloverdracht gebeurt door
synapsen: orgaantjes in het
lichaam die worden gemaakt, maar
ook verdwijnen. Zij vormen de basis
voor plasticiteit in het lichaam. Deze
vervormbaarheid is de basis om te
kunnen leren.
Het laatste punt van de vertakking
van neuron heet: De eindknop of
bouton terminal. Dit is onderdeel
van de synaps. Het motorische
eindplaatje zorgt voor verbinding
van synapsen op een andere
(spier)cel.
Als de actiepotentiaal de eindknop bereikt → membraan van eindknop wordt
geprikkeld en leegt zich (neurotransmitterstof) in de synaptische spleet. Hier
beïnvloedt de neurotransmitterstof het membraanpotentiaal van de volgende cel. Dit
stofje kan het volgende membraanpotentiaal verhogen of verlagen (lager dan -70 mV
→ hyperpolarisatie).
Uiteindelijk gaat de neurotransmitter weer terug in de eindknop om hergebruikt te
worden. Of er een actiepotentiaal in het postsynaptische deel ontstaat, hangt af van
de optelsom van alle prikkels die het neuron ontvangt (zowel via faciliterende en
inhiberende synapsen).
, Faciliterende synaps: Als de neurotransmitter de potentiaal verhoogt tot de
drempelwaarde, dan bevordert de synaps de prikkeloverdracht. (Neuron naar spier
overgang).
Inhiberende synaps: Als de neurotransmitter de potentiaal verlaagt tot
hyperpolarisatie, dan remt de synaps de prikkeloverdracht.
Organisatie van het zenuwstelsel
Anatomische indeling:
• Centrale zenuwstelsel (CZS): Hersenen en ruggenmerg.
• Perifere zenuwstelsel (PZS): Alles wat niet over CZS valt.
Fysiologische indeling:
Het neuron
Neuron: Zenuwcel
Neuriet: Uitloper van een zenuwcel (dendriet of
axon) Prikkel: Impuls
Functie van een zenuwcel: Het ontvangen,
geleiden en het weer doorgeven van prikkels.
Het receptieve deel: Hier ontvangt de cel prikkels.
Het conductief (geleiding) deel: Hier wordt de
prikkel doorheen geleid.
Het transmissief deel: Hier wordt de prikkel overgedragen op een andere
(zenuw/spier)cel.
Het rode puntje: Axon heuvel/hillock.
Alle prikkels die in het receptieve deel komen, verzamelen zich in de axon
heuvel/hillock. Als hier de drempelwaarde bereikt wordt, vindt er een actiepotentiaal
plaats die over de axon verder gedragen wordt naar een andere cel.
Het motorische neuron komt het meest overeen met het
bouwplan. Het cellichaam met de dendrieten bevindt
zich namelijk in het ruggenmerg. Het axon loopt vanaf
daar helemaal naar de periferie. Het schakelt pas over
in de periferie op het effector orgaan (bvb spiercel).
Het sensorisch neuron wijkt af van het bouwplan. Het
komt vanuit de periferie in tegenstelling tot het
motorisch neuron. In de periferie liggen sensoren, hier
wordt de sensorische neuron geprikkeld. De prikkel
gaat omhoog en komt net voor het ruggenmerg langs
het cellichaam, naast het axon, waarna het het ruggenmerg
ingaat.
Elektrische lading van een zenuwcel
Het inwendige van een zenuwcel in rust heeft een
negatieve
De Na -K pomp lading t.o.v.
staat de buitenkant. Lading: -70 mV
eerst
open naar de binnenkant van
Elektrische gradiënt: Er is een elektrisch verschil
de cel. Natrium
tussen stroomt
de binnen- eninbuitenkant
de van de cel.
pomp, Kalium stroomt in de cel.
Dit komt door het verschil in concentratie van Kalium- en
ATP (energie)
Natrium is hiervoor
ionen binnennodig.
en buiten de cel: Concentratie
Hiermee
gradiënt. worden de ionen over
de membraan
Binnenin de getransporteerd.
cel: Veel Kalium ionen.
Door de Na
Buiten de cel:-K pomp
Veelblijft het ionen.
Natrium
rustmembraanpotentiaal dus op
-70 mV.
De celwand (het membraan) is niet helemaal dicht voor
De functie van de Na -K pomp
Kalium- en Natrium ionen, dus die kunnen erin en eruit lekken. Echter wordt het
is dan ook: Rustsituatie
membraanpotentieel niet ‘0’ na lang wachten: Door Na-K pomp. De verschillen
handhaven.
verdwijnen dus ook niet.
Actiepotentiaal
Depolarisatie : Een prikkel komt in het
receptieve deel van neuron → de
membraan gaat meer natrium doorlekken
, membraanpotentiaal stijgt.
Bij veel prikkels: membraanpotentieel stijgt
en bereikt de drempelwaarde -55 mV. Dan
treedt een actiepotentiaal in werking. De
potentiaal is dan heel prikkelbaar: De
absolute refractere periode.
Repolarisatie: Nadat de actiepotentiaal in
werking is getreden → membraanpotentiaal
stijgt tot +30 mV en daalt weer naar 85 mV.
Hierdoor moeten er extra veel prikkels
komen om de drempelwaarde te bereiken
en is het potentiaal dus minder prikkelbaar:
De relatief refractere periode. Vanaf hier
bereikt het potentiaal de
rustmembraanpotentiaal weer.
Er zijn veel prikkel nodig om de membraanpotentiaal naar de drempelwaarde te laten
stijgen. Dit kan op twee manieren:
1. Summatie van plaats: Meer
dendrieten ontvangen tegelijkertijd een actiepotentiaal van een andere cel. 2.
Summatie van tijd: Er worden meer prikkels achter elkaar gestuurd waardoor
de waarde optelt.
Continue geleiding: Natrium ionen stromen de cel in,
Kalium ionen eruit → actiepotentiaal. Nu vindt
depolarisatie plaats wat gebeurt in het hele axon. De
actiepotentiaal schuift steeds meer naar rechts over een
ongemyeliniseerde axon. Niet naar links vanwege
,hyperpolarisatie (relatief refractere periode/cel minder prikkelbaar). (De verplaatsing
gaat langzaam door axon (2m per 1 sec)).
Saltatoire (sprongsgewijze) geleiding: Dit is de oplossing tot een snellere
verplaatsing van het actiepotentiaal. De actiepotentiaal schuift hierbij over een
gemyeliniseerde axon met isolatiecellen (glia cellen). Deze isolatiecellen laten
stukjes onbedekt op de axon waardoor de actiepotentiaal via de ruimtes tussen de
glia cellen ‘springt’ en dus sneller kan
verschuiven. Dikke gemyeliniseerde
vezels zijn dus sneller!
Sensorische neuronen:
• Dunne ongemyeliniseerde vezels
zijn voor pijn en temperatuur. Het is
alleen geschikt voor het vegetatieve
zenuwstelsel.
• Dikke vezels zijn voor tast en huid
mechanoreceptoren.
• De dikste vezels zijn voor
proprioceptoren in skeletspieren.
Alle skeletspieren zijn geïnnerveerd
door dikke snelle zenuwvezels.
De stevigheid van de zenuw komt door:
• Endoneurium (om axonen).
• Perineurium (om bundels axonen).
• Epineurium (om meerdere bundels → de perifere zenuw).
Prikkeloverdracht
De prikkeloverdracht gebeurt door
synapsen: orgaantjes in het
lichaam die worden gemaakt, maar
ook verdwijnen. Zij vormen de basis
voor plasticiteit in het lichaam. Deze
vervormbaarheid is de basis om te
kunnen leren.
Het laatste punt van de vertakking
van neuron heet: De eindknop of
bouton terminal. Dit is onderdeel
van de synaps. Het motorische
eindplaatje zorgt voor verbinding
van synapsen op een andere
(spier)cel.
Als de actiepotentiaal de eindknop bereikt → membraan van eindknop wordt
geprikkeld en leegt zich (neurotransmitterstof) in de synaptische spleet. Hier
beïnvloedt de neurotransmitterstof het membraanpotentiaal van de volgende cel. Dit
stofje kan het volgende membraanpotentiaal verhogen of verlagen (lager dan -70 mV
→ hyperpolarisatie).
Uiteindelijk gaat de neurotransmitter weer terug in de eindknop om hergebruikt te
worden. Of er een actiepotentiaal in het postsynaptische deel ontstaat, hangt af van
de optelsom van alle prikkels die het neuron ontvangt (zowel via faciliterende en
inhiberende synapsen).
, Faciliterende synaps: Als de neurotransmitter de potentiaal verhoogt tot de
drempelwaarde, dan bevordert de synaps de prikkeloverdracht. (Neuron naar spier
overgang).
Inhiberende synaps: Als de neurotransmitter de potentiaal verlaagt tot
hyperpolarisatie, dan remt de synaps de prikkeloverdracht.
Organisatie van het zenuwstelsel
Anatomische indeling:
• Centrale zenuwstelsel (CZS): Hersenen en ruggenmerg.
• Perifere zenuwstelsel (PZS): Alles wat niet over CZS valt.
Fysiologische indeling: