HI Inleidende beschouwingen
5. Naar een gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering
In de MvT zijn 5 ontwikkelen opgesomd die tezamen de aanleiding vormen om het wetboek
te moderniseren:
1. Doelstellingen van het strafproces zijn verbreed
Erkenning van het slachtoffer als procesdeelnemer;
Toegenomen aandacht voor de rechten en vrijheden en plichten van andere
bij het strafproces betrokken personen;
Voorzien in een duidelijke regeling van de bevoegdheden en rechtspositie van
verschillende deelnemers aan de strafrechtspleging.
Hoofddoelstelling: het bevorderen dat de strafwet wordt toegepast op de werkelijk
schuldige en te voorkomen dat de onschuldige veroordeeld of zo mogelijk zelf
vervolgd wordt.
2. Wijziging van de aard van de criminaliteit alsmede van het strafrechtelijk
sanctiepakket opkomst georganiseerde criminaliteit en toegesneden
opsporingsbevoegdheden, toegenomen behoefte buitengerechtelijke afdoening.
3. Veranderende rolverdeling tussen de strafvorderlijke actoren r-c is getransformeerd
naar rechter in het vooronderzoek
4. Internationalisering van de strafrechtspleging sterk toegenomen aandacht op het
gebied van rechtshulp & relevantie strafprocesrecht houdt niet bij de landsgrenzen op
5. Ontwikkeling en beschikbaarheid van nieuwe technieken digitalisering
Elk van bovengenoemde 5 ontwikkelingen sluit aan bij veranderingen in de samenleving
waarin het WvSv functioneert.
- Toegenomen mondigheid van de burger
- Vanzelfsprekende taak van de overheid om burgers te behoeden tegen gevaren en
risico’s
Twee verschuivingen van de afgelopen jaren:
1. De rol van de rechter is kleiner geworden, de rol van de OvJ is groter geworden.
2. WvSv was gericht op het versterken van de rechtsbescherming van de verdachte,
maar thans gaat het om het voorzien in een duidelijk geregelde rechtspositie van
verschillende aan het strafproces deelnemende actoren.
HV Rechterlijke competentieverdeling
2. rechterlijke competentieverdeling [blz. 173-175]
Absolute competentie van de hoven
De voornaamste taak van de hoven is de rechtspraak in hoger beroep.
- Uitgangspunt: tegen vonnissen van de rechtbanken inzake misdrijven staat steeds
appel open, met uitzondering van vrijspraken (art. 404 lid 1).
- Voor overtredingen geldt dat de verdachte die niet van de gehele tenlastelegging is
vrijgesproken en de OvJ appel kan instellen wanneer er een boete is opgelegd en
deze, gezamenlijk, meer dan €50 bedraagt.
o Zijn er zowel overtredingen als misdrijven ten laste gelegd, dan moet voor
ieder feit afzonderlijk worden beoordeeld of hoger beroep open staat.
o Wanneer bij een overtreding de appelgrens niet wordt gehaald en de
tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wordt gelast, dan
wordt de uitspraak daarmee niet appellabel.
Absolute competentie van de HR
Belangrijkste taak van de HR is cassatierechtspraak (art. 78 lid 1 RO), bestaat uit 2 soorten:
, 1. Gewone cassatierechtspraak er moet niet een ander gewoon rechtsmiddel
openstaan of hebben opengestaan (art. 78 lid 5 RO)
2. Rechtspraak na een door de P-G bij de HR ingesteld beroep in cassatie in het belang
der wet er moet geen gewoon rechtsmiddel (meer) openstaan (art. 78 lid 6 RO).
Tegen niet appellabele vonnissen van rechtbanken staat geen beroep in cassatie open.
Hierop zijn overtredingen van verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen
uitgezonderd (art. 404 lid 4).
Tegen de door de hoven in appel gewezen arresten betreffende overtredingen staat geen
beroep in cassatie open indien er een rechterlijk pardon is uitgesproken of geen andere straf
of maatregel is opgelegd dan een boete tot een maximum van €250 (art. 427 lid 2). Ook hier
zijn de overtredingen op verordeningen uitgezonderd (art. 427 lid 3).
De HR is naast cassatierechtspraak ook belast met:
- Aanvragen tot herziening (art. 457 en 482a)
- Berechting in eerste en laatste aanleg van ambtsdelicten die door leden van de
Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen en hun medeverdachten zijn
begaan (art. 485 Sv en 119 Gw en 76 RO).
H XII Dwangmiddelen
10. Voorlopige hechtenis [blz. 500-501]
Indien de beslissing omtrent voorlopige hechtenis op de TTZ is genomen, dan geldt in
beginsel dat tegen uitspraken slechts gelijktijdig met het beroep tegen de einduitspraak kan
worden opgekomen (art. 406 en 428).
- De wet staat echter ook appel toe tegen een op zitting bevolen gevangenhouding of
gevangennemen of tegen een aldaar afgewezen verzoek tot opheffing van de
gevangenhouding of gevangenneming (art. 406 lid 2 jo 71 lid 1 jo 87 lid 2)
o Binnen 3 dagen na tenuitvoerlegging tegen opkomen.
o Voor een op zitting afgewezen verzoek tot schorsing van de gevangenhouding
of gevangenneming geldt bovenstaande niet, en geldt de hoofdregel van 406.
Tegen beschikkingen, voor het OM
Bij een beschikking omtrent voorlopige hechtenis kan het OM:
- Wanneer de vordering is afgewezen, binnen 14 dagen in hoger beroep (art. 446 lid 1)
- Tegen een beschikking van de r-c, in beroep bij de raadkamer van de rechtbank
- Tegen een beschikking van de rechtbank, beroep bij het hof
OM kan ook beroep in cassatie instellen (art. 446 lid 2) moet sprake zijn van een vordering
van het OM die krachtens de wet is genomen en is afgewezen.
Enkele andere rechtsmiddelen:
- Art. 64 lid 3 en 71 lid 3 OM kan tegen ene beschikking tot invrijheidstelling door de
r-c binnen 14 dagen bij de rechtbank of het hof appelleren.
- Art. 87 lid 1 OvJ kan tegen beschikkingen van de r-c of de rechtbank tot schorsing
bij de rechtbank of hof appelleren.
Tegen beschikkingen, voor de verdachte
Voor de verdachte geldt dat tegen beschikkingen alleen rechtsmiddelen kunnen worden
aangewend indien het wetboek dit uitdrukkelijk bepaalt (art. 445).
- Tegen bewaring kan de verdachte niet appelleren
o Hij kan materieel wel hetzelfde bereiken door aan de raadkamer van de
rechtbank tot opheffing te verzoeken (art. 69 lid 1).
Bij afwijzing daarvan kan de verdachte appelleren (art. 87 lid 2).
Dit recht komt hem niet toe wanneer de r-c afwijst.
, - Uiterlijk 3 dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte appelleren tegen een
gevangenhouding (art. 71 lid 1)
- Tegen een bevel tot verlenging van de gevangenhouding (art. 71 lid 2), maar alleen
als hij niet eerder tegen een verlengingsbevel heeft geappelleerd en ook niet tegen
het bevel tot gevangenhouding heeft geappelleerd.
Cassatie is niet toegelaten, want de wet stelt dit niet open (art. 445)
H XV Onderzoek ter terechtzitting
12. verhoor getuigen [t/m blz. 721]
Iemand die iets tegen de rechter wil zeggen, moet – behalve slachtoffers die gebruik maken
van hun spreekrecht – als getuige worden beëdigd.
- Hetgeen de benadeelde partij op grond van art. 334 lid 3 naar voren brengt kan niet
als wettig bewijs worden gebruikt.
Als uitgangspunt wordt aangenomen dat de verdachte het recht heeft om iedere getuige die
hij in het belang van zijn verdediging acht te horen, te horen.
- Wanneer een getuige niet is verschenen verlangt de HR dat de verdediging een
verzoek doet om die getuige opnieuw op te roepen (art. 287 lid 3 sub b)
- Bij de beoordeling in cassatie van de afwijzing van een getuigenverzoek kan een rol
spelen of het verzoek door de verdediging eerder had kunnen en redelijkerwijs ook
had moeten worden gedaan.
- HR kent betekenis toe aan onderbouwing van het onderzoek.
Getuige à charge= getuigen die worden opgeroepen op verzoek van de OvJ (art. 260 lid 1).
Getuige à decharge= getuigen die door de verdachte en zijn advocaat zijn opgeroepen (art.
260 lid 4 jo art. 263).
- Verdachte moet ten minste 10 dagen voor de zitting aan de OvJ een brief sturen met
welke getuigen hij wenst te horen.
De OvJ kan weigeren getuigen op te roepen, wanneer:
1. Het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter
terechtzitting zal verschijnen (art. 264 lid 1 sub a)
Er dienen concrete aanknopingspunten te zijn op grond waarvan de
verwachting gerechtvaardigd is dat de getuige niet binnen een aanvaardbare
termijn ter terechtzitting zal verschijnen.
2. Er gegronde redenen zijn dat de gezondheidstoestand of het welzijn van de getuige
door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht (art.
264 lid 1 sub b)
Vermoeden moet berusten op concrete feiten en omstandigheden [bijv.
oordeel van een deskundige].
3. Indien de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (art. 264 lid
1 sub c) hij mag alleen weigeren indien de punten waarover de getuige kan
verklaren
a. In redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enig in zijn strafzaak te nemen
beslissing overbodig naar object.
b. Redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde
punten zou kunnen verklaren overbodig naar subject.
4. Indien die getuige een bedreigde getuige in de zin van art. 136c is of een
afgeschermde getuige in de zin van art. 136d (art. 264 lid 2 sub a).
Indien het horen van de getuige echter in enigerlei opzicht relevant is voor de beantwoording
van de vragen van 348 en 350 Sv dient tot oproeping te worden overgegaan.