Doelen Psychoanalyse (Freud) – college 2.
1. Je kunt de basisuitgangspunten van de psychoanalyse noemen.
- De psychoanalyse gaat uit van de subjectieve ervaringen van mensen. Een psychoanalyticus –
een therapeut – is meer geïnteresseerd in datgene waarin iemand zich onderscheidt van een
ander dan in waarin iemand overstemt met een ander. Het gedrag van een persoon wordt
opgevat als zijnde bepaald door zowel zijn biologische aanleg als zijn unieke
levensgeschiedenis.
- De psychoanalyse gaat ervan uit dat wij lang niet altijd ons gedrag bewust aansturen. Ook al
maken we plannen en voornemens, ons gedrag lijkt soms zijn eigen gang te gaan. Dat geldt
zeker voor emoties zoals angst of verdriet. De keuzes van mensen voor een studie, baan,
levenspartner, huisdier, bestemming van een vakantie, etc, worden medebepaald door
onbewuste krachten.
- In de psychoanalyse gaat men uit van de veronderstelling dat mensen een onbewuste hebben.
De inhoud van dit onbewuste bestaat uit wensen waarvan we soms ooit beseft hebben dat
we ze hadden, maar het kunnen ook wensen zijn waarvan we ons nooit bewust waren maar
die we weggestopt hebben. De centrale aanname is dat hoewel de wensen onbewust zijn, ze
actief blijven en ons gedrag beïnvloeden.
- Het vierde uitgangspunt is de veronderstelling dat het waarneembare (= manifeste) gedrag
van mensen en hun bewuste gedachten en dromen bepaald worden door zowel hun
onbewuste wensen als door het feit dat ze deze niet accepteren. Dit wordt het conflictmodel
genoemd. Al ons gedrag is te zien als het resultaat van dit conflict; een compromis tussen een
wens en een (zelf opgelegd) verbod. De uitspraak van een zedendeliquent: ‘Ik wist dat het
niet mocht, maar ik deed het toch’ is een illustratie van dit conflict, met dien verstande dat
hier het verbod niet mee werkte.
- Al ons gedrag heeft betekenis. Toevallig gedrag, zoals verspreking, vergissing of een
‘ongelukje’, bestaat volgens de psychoanalyse niet. Elk gedrag heeft een (verborgen)
betekenis, waarbij de uitingsvorm door twee invloeden wordt bepaald: de wens en het
verbod. De psychoanalytische therapeut stelt zich onder andere de taak om verborgen
betekenissen te verhelderen.
- Het zesde uitgangspunt luidt dat ervaringen uit de eerste levensjaren in belangrijke mate de
persoonlijkheid (karaktertrekken) van de volwassene bepalen. De psychoanalyse legt hier
grote nadruk op en heeft daarom veel aandacht voor de psychische ontwikkeling van
kinderen. Een belangrijk gegeven, afkomstig uit de neuropsychologie, ondersteunt dit
uitgangspunt.
2. Je kunt het mensbeeld van de psychoanalyse beschrijven.
Het mensbeeld van de psychoanalyse is pessimistisch maar ook optimistisch.
- Pessimistisch: mensen zijn geen baan in eigen huis en driften (levens- of seksualiteitsdrift of
doods- of agressiedrift) besturen ons leven.
- Optimistisch: mensen kunnen zich bewust worden van hun (onbewuste) wensen en driften
en zo hun leven (meer) in eigen hand nemen.
3. Je kunt het mensbeeld van de psychoanalyse plaatsen tegen de indeling in
soorten mensvisies uit het boek van Rigter.
De psychoanalyse kent een mechanistisch mensbeeld en een personalistisch mensbeeld. Vooral het
vroege werk van Freud, uit de periode waarin hij onder invloed stond van de
natuurwetenschappelijke benadering en zocht naar eenduidige oorzaken van gedrag, is
mechanistisch te noemen. In zijn latere werk staat de interpreterende methode centraal en dat is een
kenmerk van een personalistisch mensbeeld. Het personalistisch mensbeeld is dominant in de
hedendaagse psychoanalyse. De techniek van de hulpverlening is te typeren als ‘uitlegkunde’ en heeft
bewustwording van de onderliggende oorzaken van het gedrag tot doel.
Er is een overlapping tussen het mechanistische en het personalistische.
1. Je kunt de basisuitgangspunten van de psychoanalyse noemen.
- De psychoanalyse gaat uit van de subjectieve ervaringen van mensen. Een psychoanalyticus –
een therapeut – is meer geïnteresseerd in datgene waarin iemand zich onderscheidt van een
ander dan in waarin iemand overstemt met een ander. Het gedrag van een persoon wordt
opgevat als zijnde bepaald door zowel zijn biologische aanleg als zijn unieke
levensgeschiedenis.
- De psychoanalyse gaat ervan uit dat wij lang niet altijd ons gedrag bewust aansturen. Ook al
maken we plannen en voornemens, ons gedrag lijkt soms zijn eigen gang te gaan. Dat geldt
zeker voor emoties zoals angst of verdriet. De keuzes van mensen voor een studie, baan,
levenspartner, huisdier, bestemming van een vakantie, etc, worden medebepaald door
onbewuste krachten.
- In de psychoanalyse gaat men uit van de veronderstelling dat mensen een onbewuste hebben.
De inhoud van dit onbewuste bestaat uit wensen waarvan we soms ooit beseft hebben dat
we ze hadden, maar het kunnen ook wensen zijn waarvan we ons nooit bewust waren maar
die we weggestopt hebben. De centrale aanname is dat hoewel de wensen onbewust zijn, ze
actief blijven en ons gedrag beïnvloeden.
- Het vierde uitgangspunt is de veronderstelling dat het waarneembare (= manifeste) gedrag
van mensen en hun bewuste gedachten en dromen bepaald worden door zowel hun
onbewuste wensen als door het feit dat ze deze niet accepteren. Dit wordt het conflictmodel
genoemd. Al ons gedrag is te zien als het resultaat van dit conflict; een compromis tussen een
wens en een (zelf opgelegd) verbod. De uitspraak van een zedendeliquent: ‘Ik wist dat het
niet mocht, maar ik deed het toch’ is een illustratie van dit conflict, met dien verstande dat
hier het verbod niet mee werkte.
- Al ons gedrag heeft betekenis. Toevallig gedrag, zoals verspreking, vergissing of een
‘ongelukje’, bestaat volgens de psychoanalyse niet. Elk gedrag heeft een (verborgen)
betekenis, waarbij de uitingsvorm door twee invloeden wordt bepaald: de wens en het
verbod. De psychoanalytische therapeut stelt zich onder andere de taak om verborgen
betekenissen te verhelderen.
- Het zesde uitgangspunt luidt dat ervaringen uit de eerste levensjaren in belangrijke mate de
persoonlijkheid (karaktertrekken) van de volwassene bepalen. De psychoanalyse legt hier
grote nadruk op en heeft daarom veel aandacht voor de psychische ontwikkeling van
kinderen. Een belangrijk gegeven, afkomstig uit de neuropsychologie, ondersteunt dit
uitgangspunt.
2. Je kunt het mensbeeld van de psychoanalyse beschrijven.
Het mensbeeld van de psychoanalyse is pessimistisch maar ook optimistisch.
- Pessimistisch: mensen zijn geen baan in eigen huis en driften (levens- of seksualiteitsdrift of
doods- of agressiedrift) besturen ons leven.
- Optimistisch: mensen kunnen zich bewust worden van hun (onbewuste) wensen en driften
en zo hun leven (meer) in eigen hand nemen.
3. Je kunt het mensbeeld van de psychoanalyse plaatsen tegen de indeling in
soorten mensvisies uit het boek van Rigter.
De psychoanalyse kent een mechanistisch mensbeeld en een personalistisch mensbeeld. Vooral het
vroege werk van Freud, uit de periode waarin hij onder invloed stond van de
natuurwetenschappelijke benadering en zocht naar eenduidige oorzaken van gedrag, is
mechanistisch te noemen. In zijn latere werk staat de interpreterende methode centraal en dat is een
kenmerk van een personalistisch mensbeeld. Het personalistisch mensbeeld is dominant in de
hedendaagse psychoanalyse. De techniek van de hulpverlening is te typeren als ‘uitlegkunde’ en heeft
bewustwording van de onderliggende oorzaken van het gedrag tot doel.
Er is een overlapping tussen het mechanistische en het personalistische.