H1 Een markt is het geheel van factoren waaronder vragers en aanbieders elkaar
ontmoeten en producten verhandelen.
- Concrete markt: Hier ontmoeten vrager en aanbieder elkaar; bloemenveiling en
marktplaats.
- Abstracte markt: Hier gaat het niet over een ontmoetingsplaats. De huizenmarkt over
de markt voor ruwe olie; met markt wordt de verhandeling bedoeld.
De kenmerken van de markt bepalen in hoeverre producenten invloed hebben op de
verkoopprijs van hun product; marktstructuur.
- Aantal aanbieders: één aanbieder of meer? Prijs verhogen? ‘Wet van vraag’
- Toetredingsdrempels: Grote investering in bijv. fabriek laten bouwen. Hoe hoger de
toetredingsdrempel hoe minder producenten. Ook milieuvergunning, licentie.
- Productdifferentiatie:
Homogene producten verschillen niet van elkaar voor de consument.
Heterogene producten verschillen wel van elkaar; producenten brengen eigen versie uit.
Gedifferentieerde producten is wanneer diverse versies van het product verschillend zijn;
cola smaakt anders dan sprite.
Je spreekt van onafhankelijke producten als producten onderling niet substitueerbaar zijn.
Denk hierbij aan een tandenborstel of bril; je kan nergens anders je tanden mee poetsen.
Er zijn verschillende marktvormen:
Aantal aanbieders Homogeen product Heterogeen product
Veel Volkomen concurrentie Monopolistische
concurrentie
Weinig Homogeen oligopolie Heterogeen oligopolie
Een Monopolie
Bij volkomen concurrentie zijn er veel producenten die hetzelfde homogene product
aanbieden. Producenten kunnen de prijs niet beïnvloeden en de toetreding is vrij.
Bij monopolistische concurrentie verkopen de producenten een heterogeen product.
Producenten hebben invloed op de prijs, wel is er een sterke concurrentie; kledingwinkels
want elke winkel verkoopt andere kleding.
Bij een monopolie is er maar één producent en hoeft geen rekening te houden met andere
producenten. Ook bepaald de monopolist zelf de prijs; winst maximaal= NS.
Een monopolie komt weinig voor, want er is altijd wel concurrentie. Er zijn wel markten die
lijken op een monopolie, want er is een producent die alle vraag in handen heeft. De
overblijvende consumentenvraag wordt door kleine producenten bediend. Sommige
bedrijven hebben daarom een groot marktaandeel.
Bij een oligopolie zijn er weinig aanbieders. Bij een duopolie is er sprake van een marktvorm
met twee aanbieders.