Levensbeschouwelijke diversiteit
Hoofdstuk 1
Leraar zijn doe je met hart en ziel mede door het feit dat het een baan is waar je
niet veel mee gaat verdienen. Je ziel is het gene dat jou maakt als persoon, dat is
hoe je exact bent. Je ziel is je identiteit oftewel wie jij het diepste bent. Het woord
inspiratie komt van het woord spiritus wat in het Latijns adem betekend. Je ziel
kan je zien als je adem, het is je levensbron, het is je kracht. Iedereen heeft zijn
of haar innerlijke drive oftewel je komt met doel om iets te doen iets wat je wilt
bereiken in het onderwijs bijvoorbeeld.
Een leerkracht die iemand is, die ergens voor staat, die zijn identiteit voor zijn
leerlingen zichtbaar maakt, dat is een bezielde leraar. Je bezieling bestaat uit
twee punten (deze punten noem je ook wel levensbeschouwing of
levensbeschouwelijke identiteit):
Hoe je tegen het leven aankijkt
Wat je inspireert
Je levensbeschouwing is jouw hoogstpersoonlijke kijk op het leven. Iedereen
ontwikkelt een persoonlijke levensbeschouwing, door wat zij meemaakt en zij
daar betekenis aan geeft. In dat betekenis geven onderscheid je wat jou
inspireert en wat je de moeite waard vind.
Je vormt door je hele leven heen een referentiekader, dat werkt als een soort bril
waardoor je naar de wereld kijkt. Zonder dat je er bewust mee bezig bent voor je
een kijk op de wereld. Die bril noem je eigenlijk je visie op de wereld. Het gaat
dus niet over feiten, maar over je eigen mening en hoe jij er als persoon tegen
aan kijkt.
Als twee mensen een dag exact hetzelfde zouden doen, zouden ze aan het einde
van de dag allebei een ander verhaal vertellen. Dit komt doordat iedere persoon
de belangrijkste dingen voor haar eruit fltert, dingen aandikt en dingen
verzwakt.
Levensbeschouwelijke ontwikkeling is het proces van steeds opnieuw betekenis
geven aan de wereld om je heen. Deze ontwikkeling gaat je leven lang door, je
levensbeschouwing is dus nooit af.
Levensvragen hebben een universeel karakter:
Mensen hebben zichzelf deze vragen in alle tijden gesteld.
Mensen stellen zich deze vragen overal ter wereld.
Levensvragen zijn vragen waar geen eenduidig antwoord voor bestaat:
Iedereen heeft zijn eigen vragen op deze antwoorden.
Het antwoord staat niet vast, maar verandert in de loop van je leven.
,Persoonlijke levensbeschouwing is met een kleine letter. Levensbeschouwing met
een hoofdletter is voor meerdere mensen.
Dit zijn de twee belangrijkste punten voor de vakdidactiek:
Leven Beschouwen
Leven = verhalen vertellen Beschouwen = je dingen
afvragen
Verhalen vertellen Vragen stellen
In 2012 heeft de HBO-raad vastgesteld dat leraren in opleiding kennis moeten
hebben van de Geestelijke stromingen. In kerndoel 38 staat vast dat kids leren
over de hoofdzaken van Geestelijke stromingen. Sinds 1985 zijn basisscholen
verplicht om les te geven over Geestelijke stromingen. Onder Geestelijke
stromingen verstaan we : het Jodendom, het Christendom, de Islam, het
Hindoeïsme, het Boeddhisme en het humanisme. Doordat niet alle geloven
godsdiensten zijn wordt het aangeduid met Geestelijke stromingen. De gedachte
bij het vak was om het neutraal te benaderen, zodat kinderen de feiten zouden
krijgen en niet de mening van de leerkracht.
Soorten scholen Percentage
Openbare scholen 32%
Rooms-katholieke 30%
scholen (bijzonder)
Protestantse scholen 30%
(bijzonder)
Overig 8%
100%
De samenleving verandert erg snel, vandaar dat scholen er uiteindelijk voor
kiezen om het levensbeschouwelijk leren te noemen. Deze didactiek gaat ervan
uit dat:
Iedereen zich levensbeschouwelijk ontwikkelt, ongeacht de context waarin
je opgroeit.
Levensbeschouwelijk leren niet alleen gebeurt op scholen met een
levensbeschouwelijk signatuur.
Levensbeschouwelijk leren niet alleen gebeurt in vooraf vormgegeven
lessen.
Het vak wordt ondanks de verplichting vaak onder stoelen en banken geschoven.
Dit komt door het feit dat de basisscholen al zo’n overvol programma hebben ook
vinden veel basisschooldocenten het vak niet echt belangrijk. Vakken die dus niet
worden getoetst met de Cito worden eigenlijk een beetje achterwegen gelaten op
basisscholen, want daar hoeven ze toch minder tijd aan te besteden, want dat
beïnvloedt de resultaten van de school niet.
Burgerschapsvorming, kinderen leren om actief deel te nemen aan de
democratische samenleving en op een respectvolle, kritische manier om te gaan
met alle culturele en religieuze verschillen die ze daarin tegenkomen. Dit
, betekend eigenlijk dat je niet alleen levensbeschouwelijk leert tijdens de lessen
die daarvoor zijn. Kids leren net zoveel van een spontaan kringgesprek en van
een leerkracht die op allerlei manier een voorbeeld geeft van respectvol omgaan
met verschillen. Levensbeschouwelijke leren is verbonden met de sociaal-
emotionele ontwikkeling en burgerschapsvorming. Omgaan met
levensbeschouwelijke diversiteit is een onderdeel van de professionaliteit van de
leerkracht.
Hoofdstuk 2
We hebben scholen die door de overheid gesticht en bestuurd worden, dit
noemen we openbare basisscholen. Daarnaast mag iedereen volgens de wet een
speciale school stichten. Dit kan een montessori, jenaplan of Dalton school zijn,
deze scholen worden algemeen-bijzondere scholen genoemd. Als je een school
opricht op basis van een levensbeschouwelijke visie noem je dat een bijzonder-
confessionele basisschool.
Identiteit van de basisschool:
De levensbeschouwelijke identiteit is de ziel van de school, dat wat deze
school tot deze school maakt.
Levensbeschouwelijke identiteit vertelt het verhaal van je kijk op de
wereld, wat doet ertoe en is de moeite waard om voor te leven.
Levensbeschouwelijke identiteit maakt voor anderen zichtbaar waar je
leven voor staat.
Levensbeschouwelijk identiteit is voortdurend is ontwikkeling, in interactie
met de omgeving.
De identiteit van de school wordt ook bepaald door de jufen en meesters die
erop lesgeven en de kinderen die erop zitten. Het gaat dan niet alleen over de
levensbeschouwelijke identiteit, maar ook zaken zoals culturele achtergrond,
opleidingsniveau van de ouders, buurt waar de school in staat (grote stad of
platteland).
Een bijzondere school of een openbare school noem je de formele identiteit.
Bijzondere scholen kan je dus weer opsplitsen in algemeen bijzondere scholen en
bijzonder confessionele scholen. Bijzonder confessionele scholen kan je weer
opsplitsen in diverse levensbeschouwelijke grondslagen.
Openbare scholen zijn voor iedere leerling en elke docent toegankelijk. Het
onderwijs is niet gebaseerd op een bepaalde godsdienst of levensovertuiging.
Een openbare school wordt door de gemeente gesticht.
Algemeen-bijzondere scholen geven les op grond van hun visie over onderwijs of
opvoeding. Deze scholen werken niet vanuit een godsdienst of
levensbeschouwing. Deze scholen werken niet vanuit een godsdienst of
levensbeschouwing. Voorbeelden zijn montessorischolen, daltonscholen,
jenaplanscholen en vrije scholen.
Op een school voor bijzonder onderwijs krijgen kinderen les vanuit een
godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Er zijn bijvoorbeeld rooms-