Boek: Werk
Hoofdstuk 1 Betekenis van werk:
Par 1 Wat is werk?
Drie soorten werk:
1. Betaald werk: financiële vergoeding door werk in loondienst of als zelfstandige zonder
personeel(zzp’er).
2. Onbetaald werk: geen financiële vergoeding voor maatschappelijke en economisch wel nuttig
werk(bv. opvoeding en huishouding). Als je geen zin hebt doe je het niet.
3. Vrijwilligerswerk: geen financiële vergoeding in de vorm van salaris, wel vaak verzekering tegen
ongevallen en soms een onkostenvergoeding. Met betrekking tot verplichting neemt vrijwilligers
tussenpositie in. Je kunt niet zomaar wegblijven.
Arbeid= alle activiteiten die maatschappelijk en/of economisch nuttig zijn, voor degene die ze
verricht, voor zijn of haar omgeving en/of voor de samenleving als geheel.
Functies van werk:
1. Op individueel niveau:
- Loon/inkomen waardoor je in je levensonderhoud kunt voorzien en economisch onafhankelijk
bent; dit zijn materiële functies.
- Sociale status en sociale contacten, zinvolle tijdsbesteding en ontplooiing; dit noemen we de
immateriële functies.
Materiële en immateriële functies zijn individuele functies geformuleerd door Maslow.
2. Op niveau samenleving:
- Arbeid als een van de belangrijkste productiefactoren draagt bij aan nationale rijkdom en
welvaart (= welvaartsfunctie).
- Arbeid vormt middel tot integratie en levert daardoor bijdrage aan sociale cohesie, door samen
te werken wordt samenleven makkelijker (=sociale functie).
- Arbeid is een middel om geld en macht onder mensen te verdelen (= verdelingsfuncties).
Het recht op arbeid is in 1983 opgenomen in onze Grondwet (art 19).
Dit artikel stelt bevordering van voldoende werkgelegenheid is een voorwerp van zorg der
overheid. Dit art. stelt ook dat de wet regels moet stellen ten aanzien van medezeggenschap en
rechtspositie van hen die arbeid verrichten en erkent het recht op vrije keuze van arbeid van
iedere Nederlander (sociale grondrechten).
Ook in Universele Verklaring voor Rechten van de Mens stelt dat een ieder recht heeft op
arbeid en een vrije keuze van beroep, op gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen
werkloosheid. Deze uitspraak kreeg pas zeggingskracht toen deze werd opgenomen in het
Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele
Vrijheden.
Kwaliteit van werk:
Kwaliteit van werk wordt door vier factoren bepaald:
- Arbeidsinhoud; mate van afwisseling en mogelijkheid tot ontplooiing’
- Arbeidsomstandigheden; werkplek en gereedschap waar je mee werkt
- Arbeidsverhoudingen; sociale contacten onderling, verhouding tussen personeel en directie,
mogelijkheid om invloed uit te oefenen
- Arbeidsvoorwaarden; salaris, werktijden, vakantieregelingen (primaire arbeidsvoorwaarden) en
lease auto, auto van de zaak, kinderopvang (secundaire arbeidsvoorwaarden).
Pagina 1 van 29
,Par 2 Arbeidsethos:
Arbeidsethos: het belang dat mensen aan werk hechten.
- Hoog arbeidsethos: positieve betekenis toekennen aan werk, graag willen werken, werk speelt
centrale rol in het leven
- Laag arbeidsethos: werk ervaren als negatief en vervelend.
In samenleving overheerst vaak een specifiek arbeidsethos maar dit geldt niet voor alle burgers
op dezelfde manier (sommige ouderen gaan liever met pensioen, anderen werken liever door,
sommige moeder willen werken, anderen blijven liever thuis).
Een belangrijke kwestie is de vraag of het verrichten van betaald werk een verplichting moet zijn
(hangt vaak van de tijd af).
- In jaren tachtig hoge werkloosheid, pleitten mensen voor een basisinkomen
(een gegarandeerd inkomen dat iedere volwassene zou moeten krijgen of hij nu wel of niet werkt,
omdat zij zelf wilden beslissen hoe zij zich nuttig konden maken voor de samenleving.
- In de loop der tijd ging men hier anders over denken. Wie langdurig een uitkering heeft komt
vrijwel niet meer aan betaald werk. Dus sociaal pakt uiteindelijk asociaal uit. Daarom is nu de
tendens om aan recht op uitkering verplichting tot werk te verbinden.
De betekenis die de samenleving aan betaald werk geeft wordt bepaald door een aantal
maatschappelijke factoren:
1. Welvarendheid van een land; in arme samenlevingen is de noodzaak om
met behulp van werk te overleven groter dan in relatief welvarende maatschappijen (bv Nederland
kon het zich economisch veroorloven om mensen ouder dan 65 vrij te stellen van arbeid maar is
nu 67 jaar geworden).
2. Omvang van de werkloosheid; als er veel mensen werkloos zijn worden criteria voor
groepen die werk moeten aanvaarden versoepeld. NB Neline: dit geldt niet sinds de rechtse
kabinetten en meelopers zoals PvdA, D66 etc. Er is nu misschien wel sprake dat 65 plus niet meer
hoeft te solliciteren.
3. De beschikbaarheid van inkomensvoorzieningen; als mensen niet hoeven te
werken voor een inkomen wordt de noodzaak om werk te zoeken kleiner bijvoorbeeld door
familiekapitaal of uitkeringen (NB Neline dit kunnen geen ww uitkeringen zijn, misschien meer
pensioen, levensverzekering).
4. Maatschappelijke druk: komt niet alleen voort uit economische motieven (bij veel
werk wordt de druk op niet werkenden om te gaan werken groter) maar ook uit statusmotieven
(vrouwen die nu niet werken moeten zich verantwoorden terwijl het vroeger juist status gaf als een
vrouw niet werkte).
Arbeidsethos is tijdsbepaald:
- Klassieke oudheid: arbeid negatief, was voor slaven en gevangenen
- Middeleeuwen: christelijk ethiek kreeg overhand. Mensen werden
aangespoord hard te werken (denk aan spreuken “In het zweet uws aanschijns, zult gij brood
eten). Door Luther en Calvijn nog verergerd door te stellen dat hard werken beschouwd werd als
een teken van uitverkiezing. Over deze uitspraken over arbeidsmoraal baseerde Max Weber de
theorie dat calvinisme heeft bijgedragen aan opkomst kapitalisme.
- Verlichting: nieuwe moraal dat armoede ontstaat door eigen schuld. Als mensen rationeel
zouden handelen was armoede onnodig, zelfs als iedereen allereerst aan zichzelf zou denken en
het eigenbelang voorop zou stellen (Adam Smith econoom). Karl Marx was het hier niet mee
eens; bij armoede geen sprake van eigen schuld maar een gevolg van het ontbreken van
productiemiddelen waardoor arbeiders voorbestemd waren arm te blijven.
- Twintigste eeuw: arbeid wordt in verband gebracht met rechten. Arbeidsethos wordt mensen
worden gelukkig als ze werken. Bij een grondwetswijziging van 1983 werd dit recht op arbeid
vastgelegd.
Bij arbeidsethos speelt niet alleen de tijd maar ook de plaats een rol. Land waarin je woont. In
Amerika een ander ethos als hier. American Dream.
Liberalisme/kapitalisme= Adam Smith, armoede eigen schuld en streeft naar maximale winst.
Socialisme/ communisme= Karl Marx, gevolg van het kapitalisme- vicieuze cirkel.
Pagina 2 van 29
, Par 3 Arbeid en sociale positie:
Maatschappelijke positie: plaats die iemand heeft op de maatschappelijke ladder.
Op grond van waardering voor hun arbeid nemen mensen een hogere of lagere positie in op de
maatschappelijke ladder. Naast waardering voor arbeid zijn ook factoren als het sociale milieu
waarin mensen leven, de sekse en de gezinssituatie van invloed op de maatschappelijke positie
(kinderen in achterstandswijk die niet gestimuleerd worden hebben minder kans op een hoge
maatschappelijke positie).
Maatschappelijke positie is van invloed op levenswijze van mensen: mensen met hoge
maatschappelijke positie zijn gezonder, wonen beter, presteren beter en hebben een hogere
levensverwachting.
In iedere samenleving komt ongelijkheid voor =
Sociale stratificatie: de verdeling van de samenleving in groepen en lagen waartussen een
verhouding van sociale ongelijkheid bestaat. Sociale ongelijkheid betekent dat er sprake is van
een ongelijke verdeling van welvaart, macht en sociale privileges. Verschillen zijn vaak terug te
voeren op inkomens van mensen. Machtsverschillen en verschillende privileges zijn gebaseerd op
een ongelijke afhankelijkheidsrelaties tussen mensen (bv een directeur kan iemand ontslaan een
arbeider niet).
Theorieën over sociale stratificatie
1. Marxistische theorie= Socialisme en Marxisme: de economische positie van mensen, met
name het wel of niet bezitten van productiemiddelen, is de oorzaak van sociale stratificatie.
(Karl Marx). Karl Marx deelde de samenleving in twee klassen in (heersende
bezittende klassen en arbeidersklasse).
2. Max Weber: onderscheid drie soorten stratificatie (klassen, stand en partij),
lopen door elkaar heen:
o Klasse: categorie mensen die in dezelfde economische positie verkeert en een bepaalde positie
op de arbeidsmarkt heeft. Niet perse gebonden door onderlinge collectiviteit.
o Stand: effectieve groep mensen die al meer verbonden zijn door sociale relaties en dezelfde
mate van aanzien hebben in de samenleving. Delen een bepaalde levensstijl en hebben meer of
minder sociale macht.
o Partijen: effectieve groepen die zich hebben georganiseerd om de reguliere politieke macht te
verwerven.
3. In de twintigste eeuw benadrukten functionalisten dat sociale stratificatie
berust op consensus en gemeenschappelijke waarden. Heeft een vitale functie. Maatschappelijke
ongelijkheid zou talentvolle mensen motiveren om taken te vervullen die meer beloning of prestige
opleveren. Ongelijkheid schept een natuurlijke orde. Onvermijdelijk, dus noodzakelijk voor de
samenleving, dus eigen functie.
Sociale Mobiliteit
Maatschappelijke positie bepaalt de maatschappelijke klasse waartoe je wordt gerekend.
Verschillen tussen klassen vroeger was hoger dan nu.
Door toegenomen mogelijkheden tot sociale mobiliteit = de mogelijkheid om te stijgen (of te
dalen) op de maatschappelijke ladder, zijn verschillen tussen de sociale lagen in de
samenleving minder scherp te trekken.
Maatschappelijke positie wordt meer bepaald door wat je kunt dan door je afkomst. Opleiding en
werk zijn motor om hogerop te komen.
Intergenerationele mobiliteit = als kinderen een hogere maatschappelijke positie innemen
dan hun ouders.
Pagina 3 van 29