Bevat Hoofdstuk 1, Paragraaf 2.1 t/m 2.7, Hoofdstuk 3 t/m 8, Hoofdstuk 12 t/m 17.
Hoofdstuk 1 Voorschriften, wetten, verordeningen en
vergunningen
1.1 Inleiding
De Woningwet van 1901 stelde kwaliteitseisen aan de bouw en bood fnanniering aan gemeenten en
woningbouwnorporates. De arnhitent kreeg grote invloed op de soniale woningbouw. In de oorlogsjaren kwam
er een nrisis in. Na de oorlog moest alles worden opgebouwd. Materialen waren moeilijk verkrijgbaar. Alles
moest via een vastgesteld plan van de overheid opgebouwd worden. Het distributesssteem op
bouwmaterialen werd in 1950 vastgelegd. Rijksgoedkeuring en bouwvergunning werden nodig om te bouwen.
De woningbouw van de jaren 50 en 60 kenmerkt zinh door standaardisate en hoge produnte. anaf de jaren
70 kreeg het weer meer versnheidenheid en kregen burgers meer inspraak. olledige grip op de bestemming
van grond kreeg de overheid via de bestemmingsplannen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). In 1968
versnheen de eerste Nota ruimtelijke ordening voor verdeling van lonates die later gewijzigd is.
1.2 Wet ruimtelijke ordening (Wro)
Deze wet biedt de overheid de gelegenheid een antef planologisnh beleid te voeren. Het is een raamwet. De
uitwerking vindt plaats in uitvoeringsmaatregelen, AMvB’s. Hierdoor kan sneller gewerkt worden. De minister
van Infrastruntuur en Milieu is verantwoordelijk en de Raad van State moet gehoord worden.
1.2.1 Structuurvisies
Op 1 juli 2008 is WRO vervangen door nieuwe Wro. De kern van een struntuurvisie omvat een formulering van
beleidsdoelen van het Rijk, de provinnie of gemeente en inzinht in hoe deze beleidsdoelen door die overheid
zullen worden gevoerd. Struntuurvisies komen tot stand door overleg met versnhillende bestuurslagen,
overheidsorganen en betrokken maatsnhappelijke organisates en partjen en bevaten de hoofdlijnen van
voorgenomen ontwikkelingen. Alleen het vaststellende overheidsorgaan zelf wordt door de struntuurvisie
gebonden. Er is geen beroep mogelijk, maar wel een bezwaar. De visie is grotendeels pronedure- en vormvrij.
Niet naleven kan gevolgen hebben voor de inzet van bepaalde bevoegdheden. Het kan de basis zijn voor het
vestgen van voorkeursrenht en geef de gemeente op grond van de Grondexpploitatewet ook bevoegdheden
met betrekking tot bovenplanse verevening. In een overeenkomst over grondexpploitate kunnen alleen bepalen
over fnanniële bijdragen worden opgenomen. isies kunnen grensoversnhrijdend zijn. Een struntuurvisie van
het Rijk heef geen renhtstreekse gevolgen voor beslissingen die op andere overheidsniveaus worden genomen.
Het overgangsrenht stelt wel dat streekplannen en struntuurplannen die nog onder de WRO zijn vastgesteld,
gelijkgesteld worden met struntuurvisies. De uitvoering is de verantwoordelijkheid van de organen en een
hogere overheid kan pas optreden tegen een haar onwelgevallige struntuurvisie, wanneer deze wordt omgezet
in een uitvoeringsbesluit.
1.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Dit is een verdere uitwerking van de Wro en bevat bestemmingsplannen, tegemoetkoming in snhade en
grondexpploitate.
1.2.3 Bestemmingsplannen
Hierin wordt de bestemming van de grond aangewezen. De inhoud van de funnte moet blijken uit de
voorsnhrifen die met de bestemming verband houden. Er ligt nauwkeurig vast waar en hoe er gebouwd mag
worden.
,1.2.4 Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Dit stuurt de inrinhtng van Nederland.
1.2.4.a Nota Ruimte
isie op de ruimtelijke ontwikkeling tot 2020/2030. ier aandanhtsgebieden: veiligheid, versterken en
behouden van natuurlijke landsnhappelijke en nulturele waarden van waardevolle groengebieden, oplossen van
ruimtelijke knelpunten waardoor de enonomie kan worden versterkt, bevorderen van leefaarheid en
enonomie in de stad en op het plateland. Het geef de hoofdlijnen aan in de Ruimtelijke Hoofdstruntuur (RHS).
1.2.4.b Nota Grondbeleid
Doelstellingen: renhtvaardige verdeling van opbrengsten en kosten over expploitanten, eigenaars en gebruikers,
verhogen van de zeggensnhap van de burger en het verhogend van de kwaliteit van de marktwering en het
ruimtegebruik op de grondmarkt, bevorderen van het maatsnhappelijk ruimtegebruik bij bestemmingen maar
ook bij de realisate van de kwaliteit van de bestemming.
1.2.4.c Nota Wonen
isie op wonen in de 21e eeuw, de burger nentraal. Omvat: vergroten van de kwaliteit van wonen in de steden,
nreëren van maatwerk voor mensen die zorg nodig hebben, groene woonwensen van mensen bevorderen,
meer zeggensnhap voor burgers over het wonen en hun woonomgeving en kansen snheppen voor mensen in
kwetsbare posites.
1.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Bij omgevingsrenht spreken we over het gebied van natuur en milieu en water en over bouwen en ruimtelijke
ordening. In de huidige omgevingsvergunning zijn diverse vergunningen op het gebied van bouwen, ruimte en
milieu gebundeld. Het toetsingskader wordt gevormd door de AmvB Ruimte. De provinniale verordening vormt
een toetsingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, omdat zij regels stelt voor de plannen van
een gebied. Onder omgevingsvergunning vallen alle vergunningen op het terrein van het ministerie van
Infrastruntuur en Milieu en op beleidsterreinen van andere departementen. De Wabo zorgt voor een betere en
snellere dienstverlening van de overheid aan burgers en bedrijven.
1.3.1 Eén omgevingsvergunning
Met het in werking treden van de Wabo is voor het bouwen geen bouwvergunning meer nodig op grond van de
Woningwet, maar een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. eel toestemmingsstelsels (na 25) zijn in
de Wabo opgenomen, als een omgevingsvergunning. Indieningsvereisten zijn opgenomen in het Besluit
omgevingsrenht (Bor). De aanvraag kan digitaal worden ingediend. Het bevoegd gezag moet dirent een
ontvangstbevestging sturen en melden welke pronedure (regulier of uitgebreid) van toepassing is.
1.3.2 Reguliere procedure
De beslistermijn bedraagt 8 weken en heef minder ingrijpende maatsnhappelijke gevolgen. De beslissing kan
eenmalig met 6 weken worden verlengd. Aanvraag en verlenging moet via dag- of huis-aan-huisbladen worden
bekendgemaakt, waardoor bezwaar kan worden gemaakt bij het bestuursorgaan en eventueel hoger beroep bij
de renhtbank bij de Afdeling Bestuursrenhtspraak van de Raad van State (ABRvS).
1.3.3 Uitgebreide procedure
Deze geldt voor nomplexpe projenten met grote maatsnhappelijke risino’s. beslistermijn is 26 weken en mag
tjdens de eerste 8 weken met 6 weken verlengd worden. Het ontwerpbesluit wordt belanghebbende
bestuursorganen en gebruikers van eigendommen in de dirente omgeving van het projent toegezonden en
,gedurende 6 weken voor belangstellenden ter inzage gelegd. Na bekendmaking van de defniteve besnhikking
kan een belanghebbende binnen 6 weken bezwaar aantekenen.
1.3.4 Deelvergunning en gefaseerde vergunning
De aanvrager kan de omgevingsvergunning op drie manieren aanvragen: één aanvraag voor
omgevingsvergunning, aanvragen van deelvergunningen en gefaseerde aanvraag voor omgevingsvergunning.
1.3.4.a Deelomgevingsvergunning
Een voorwaarde hiervoor is dat het moet gaan om onderdelen van het projent die fssiek te snheiden zijn. Het
kan langer duren dan het hele totaalplaatje in een keer.
1.3.4.b Gefaseerde omgevingsvergunning
Aanvrager bepaalt zelf wat in welke fase. Meestal eerst onderzoek naar werkzaamheden in de omgeving,
daarna de toetsing van tenhnisnhe eisen. De eerstefasebesnhikking komt te vervallen als er niet binnen drie jaar
nadat deze is genomen een aanvraag voor de tweedefasebesnhikking is ingediend.
1.4 Woningwet (Ww)
De wet is de kern van de bouwregelgeving en bevat voorsnhrifen voor het bouwen en verbouwen voor nieuwe
en bestaande bouwwerken. Ook verplinht het gemeenten om een welstandsnota op te stellen.
1.4.1 Herziening Woningwet
De wet is een aantal keer herzien en in 2013 is een groot aantal voorsnhrifen over het (ver)bouwen, gebruiken
en slopen van gebouwen en andere bouwwerken samengevoegd in het Bouwbesluit 2012. Hierin staan
voorsnhrifen voor de toepassing van het Bouwbesluit: CE-markering en kwaliteitsverklaringen en de
aansluitng van gas, elektriniteit, noodstroom en water. De overheid wil de bouwregelgeving op drie manieren
vereenvoudigen:
1. ermindering en vereenvoudiging van bestaande regels;
2. erdere aanpassing van verantwoordelijkheden tussen overheid en private partjen;
3. Benadrukken van de verantwoordelijkheid voor de naleving van de bouwvoorsnhrifen bij private
partjen in het bouwprones.
oor vergunningen wordt het projentbesluit getoetst aan een vigerend bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de
Gemeentelijke Bouwverordening en de redelijke eisen van welstand.
1.4.2 Belangrijke begrippen Woningwet
Belangrijkste begrippen van de Woningwet:
- Bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprinhten, vernieuwen, veranderen of vergroten;
- Slopen: afreken van bouwwerk of gedeeltelijk;
- Gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt;
- Omgevingsvergunning: Wabo;
- Bevoegd gezag: bestuursorgaan of burgemeester of wethouders;
- Bestemmingsplan: zoals besnhreven in Wro;
- Rooilijn: lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen van een bouwwerk aan de
wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden oversnhreden;
- Norm: donument, uitgegeven door een deskundig, onafankelijk insttuut, waarin wordt omsnhreven
aan welke eisen een bouwmateriaal, bouwdeel of bouwnonstrunte moet voldoen dan wel waarin een
omsnhrijving wordt gegeven van een keurings-, meet- of berekeningsmethode;
- Kwaliteitsverk Blaring: snhrifelijk bewijs, voorzien van merkteken, aangewezen door onze Minister,
afgegeven door een deskundig, onafankelijk insttuut, aangewezen door Onze Minister, op grond
, waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een
bouwwijze, indien dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan
wel die bouwwijze bij het bouwen van het bouwwerk wordt toegepast, wordt geanht te voldoen
kranhtens deze wet aan dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of
bouwdelen dan wel die bouwwijze gestelde eisen;
- Welstandscommissie: onafankelijke nommissie die aan burgemeester en wethouders advies geef
over de plaatsing of uiterlijk van een bouwwerk als het in strijd is met de redelijke eisen van welstand;
- Stadsbouwmeester: onafankelijke deskundige die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt
ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk in strijd is met de redelijke
eisen;
- Stedelijk Be vernieuwing: gerinhte inspanningen die strekken tot verbeteringen van de leefaarheid en
veiligheid, kwaliteitsverhoging.
1.4.3 Weigeringsgronden voor een omgevingsvergunning
Gronden zijn een beheerverordening, een expploitateplan, een provinniale planologisnhe of rijksplanologisnhe
regeling, monumentenstatus, inpassingsplan. Stlleggen van de aanvraag duurt in prinnipe tot de nieuwe
regeling is ingevoerd. De vergunning mag pas werken als het bezwaartermijn is verstreken of nadat over
bezwaar is beslist.
1.5 Bouwbesluit
In het Bouwbesluit van 2012 zijn alle voorsnhrifen op elkaar afgestemd en opgenomen in één algemene
maatregel van bestuur en één daarbij behorende ministeriële regeling. Hierdoor werd het minder nomplexp en
eenduidiger. Er is nu een set tenhnisnhe voorsnhrifen voor het (ver)bouwen, gebruiken en slopen. De regeldruk
en administrateve en bestuurlijke lasten zijn aanzienlijk verminderd.
1.5.1 Wettelijke grondslag
De juridisnhe basis voor het Bouwbesluit is artkel 2 van de Woningwet. oorsnhrifen over het gebruik en de
sloop en gebruik van open erven en terreinen vallen hier nu ook onder en dus onder het Bouwbesluit.
1.5.2 Doel, opbouw en indeling
Het Bouwbesluit bevat vijf pijlers: het realiseren van veilige, gezonde, bruikbare, energiezuinige en voor het
milieu zo min mogelijk belastende gebouwen. Het is vooral bedoeld voor huurders en eigenaren en
deskundigen. Men maakt ondersnheid tussen voorsnhrifen voor nieuwbouw en bestaande bouw. De eisen die
aan een bouwwerk worden gesteld zijn afankelijk van de gebruiksfunnte. Er wordt eerst een funntoneel
voorsnhrif gegeven, waarna wordt aangegeven dat aan dat voorsnhrif is voldaan wanneer aan de gestelde
prestate-eis wordt voldaan. De aansturingstabel geef aan welk voorsnhrif van de betrefende paragraaf op
welke gebruiksfunnte van toepassing is. Het Bouwbesluit is afgestemd op milieuregelgeving, Wabo, Wet
lunhtvaart en Europese ontwikkelingen. Ook is het grootste deel van de voorsnhrifen uit de Model
Bouwverordening (MB ) opgenomen. Een aantal spenifeke wijzigingen in het Bouwbesluit: aansnherping van
de Rn-waarde voor isolate van de gebouwsnhil, voorsnhrifen voor buitenbergingen en buitenruimten bij
nieuwbouwwoningen, voorsnhrifen voor duurzaam bouwen, voorsnhrifen voor veilig gebouwonderhoud bij
nieuwe gebouwen en voorsnhrifen voor bouwen in risinozones en plasbrandaandanhtsgebieden.
1.5.3 Voldoen aan het Bouwbesluit
Men kan gebruikmaken van hulpmiddelen als NEN-normen, erkende kwaliteitsverklaringen en gelijkwaardige
oplossingen. Er zijn Nederlandse Praktjkrinhtlijnen (NPR’s) en Nederlandse Tenhnisnhe Afspraken (NTA’s).
,1.5.3.a NEN-normen en erkende kwaliteitsverklaringen
Gebruik is niet verplinht, maar geef zekerheid. In de normen staan reken- en bepalingsmethoden om aan het
voorsnhrif uit het Bouwbesluit te voldoen. Ze worden opgesteld en uitgegeven door het Nederlands
Normalisate Insttuut NEN.
1.5.3.b Gelijkwaardigheid
De prestate-eisen bestaan meestal uit een grenswaarde en een bepalingsmethode. Het Bouwbesluit kent het
gelijkwaardigheidsbeginsel. Men mag dus afwijken van een prestate-eis, mits voldaan wordt aan de
doelstellingen van die funntonele eis. Dit biedt ruimte voor het toepassen van innovateve oplossingen. Het
bevoegd gezag moet beoordelen of de gelijkwaardige oplossing voldoet. oor advies hierover kun je naar de
Adviesnommissie praktjktoepassing brandveiligheidsvoorsnhrifen.
1.5.3.c Praktijkrichtlijnen (NPR’s) en technische afspraken (NTA’s)
Mogelijkheden voor raadplegen van de rinhtlijnen zijn een nomputerprogramma, een vereenvoudigde
bepalingsmethode of een reeks nonnrete voorbeelden die voldoen aan een eis uit het Bouwbesluit. De NTA zijn
gebaseerd op overeenstemming tussen enkele belanghebbende partjen over de praktsnhe uitwerking van de
bepalingen in een norm. Ze zijn snel ontwikkelbaar en beperkt geldig.
1.5.4 Verbouwen
Bij verbouwing moet voldaan worden aan de nieuwbouwvoorsnhrifen, tenzij anders is aangegeven. De
verbouwvoorsnhrifen gelden alleen voor hetgeen verbouwd wordt. Toegestane kwaliteitsniveau is daardoor
vaak lager dan het nieuwbouwniveau. In het Bouwbesluit is in de meeste gevallen verwezen naar het renhtens
verkregen niveau, behalve in hoofdstuk 6 bij installates.
1.5.4.a Uniform verbouwniveau
In het Bouwbesluit is vanwege een landelijk uniform verbouwniveau een minimumniveau aangegeven waaraan
moet worden voldaan. Hoger mag altjd om de kwaliteit te verhogen.
1.5.4.b. Verworven rechten
Het Bouwbesluit heef in prinnipe geen gevolgen voor bestaande bouwwerken en die renhten gelden ook voor
verbouwingen.
1.5.4.c Verbouw zonder functieverandering
Hierbij speelt het huidige kwaliteitsniveau een grotere rol. De situate moet nauwkeurig in beeld gebranht
worden. De invloed van de te wijzigen onderdelen moeten integraal beoordeeld worden. Het verbeteren van
de een mag niet en nadele van het ander leiden. Het is van belang om bij aanvang van een renovateprojent in
overleg met de opdranhtgeven het gewenste kwaliteitsniveau van de renovate en de daaruit voortvloeiende
kostenverhoging vast te leggen. oor enkele aspenten worden spenifeke prestate-eisen gegeven en is het
renhtens verkregen niveau niet van toepassing. Bij geheel vernieuwen denken we aan opnieuw bouwen op een
bestaande fundering. Gedeeltelijk vernieuwen is het tot op het nasno strippen en herbouwen of een of meer
onderdelen vervangen. Bij vergroten worden de nontouren gewijzigd. an verandering is sprake als het uiterlijk
hetzelfde blijf, maar het gebouw wordt herbestemd. Hierbij moet het voldoen aan de eisen van de nieuwe
funnte. is dit niet zo, dan zijn de eisen voor verbouw van toepassing. In het geval van herbestemming is in veel
gevallen een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.
1.5.5 Sloopwerkzaamheden
oorsnhrifen hebben betrekking op het melden van het voornemen tot slopen, de aanwezigheid van
besnheiden die van belang zijn voor het slopen en de melding van aanvang en gereed zijn van de
,sloopwerkzaamheden. Een vergunning is niet nodig voor het slopen van een seizoensgebonden bouwwerk, als
er een besluit is genomen op grond van artkel 13 van de Woningwet, als er sprake is van bestuursdwang of als
er een dwangsom aan de orde is en als in het kader van de uitoefening van een bedrijf asbesthoudende
produnten geheel of gedeeltelijk worden verwijderd. In de artkelen wordt alles weergegeven over het melden
en de uitvoering van de sloop. Bevoegd gezag kan meer eisen stellen. Een vergunning is nodig voor het slopen
van een bouwwerk in een besnhermd stads- en dorpsgezinht, een besnhermd monument, een bouwwerk
waarvoor in een provinniale of gemeentelijke verordening een vergunningsplinht is opgenomen, een bouwwerk
waarvoor in een bestemmingsplan een vergunningsplinht is opgenomen. Een sloopveiligheidsplan is alleen
verplinht voor de grotere bouw- of sloopprojenten, meldingsplinhtge sloopwerkzaamheden en
bouwantviteiten die omgevingsvergunningsplinhtg zijn. Belangrijke donumenten moeten op de sloopplaats
zijn, zoals een asbestnventarisaterapport, een handhavingsbesluit of aanvullende voorsnhrifen en
onthefngen. Melden van aanvangen moet twee dagen van tevoren, melden van gereedkomen uiterlijk op de
dag van beëindiging en resultaten van asbestnventarisaterapport binnen twee weken na de beëindiging. De
veiligheidsmaatregelen hebben betrekking op de te nemen veiligheidsmaatregelen voor de omgeving, het
ontrekken van grondwater met een aanvaardbaar risino voor bouwwerken rondom en het beperken van
geluids-, stof- en trillingshinder voor de omgeving. In het bouw- of sloopveiligheidsplan moet worden
vastgelegd: het waarborgen van de verkeersveiligheid, het voorkomen van vallende objenten, het afsluiten en
afsnheiden van het bouw- of sloopterrein, het stallen, opbergen of afsluiten van het materieel of materiaal en
de bereikbaarheid en de bruikbaarheid van bluswater en andere openbare voorzieningen. Dit is puur gerinht op
de omgeving en niet op de werknemers.
1.5.6 Functieverandering
Het versnhil zit hem in het tjdelijk of permanente. Als het na de funnteverandering voldoet aan de bestaande
eisen, hoef het niet verbouwd te worden. Anders wel. De eventuele vergunningsplinht zijn weer van
toepassing. Het gedeelte van het gebouw dat niet verandert, moet wel minimaal voldoen aan de voorsnhrifen
voor bestaande bouw voor de nieuwe gebruiksfunnte. Construntes, bouwdelen en ruimten die meerdere
funntes krijgen moeten altjd voldoen aan de zwaarste eis.
1.5.7 Vrije indeelbaarheid
rije indeelbaarheid vergroot de fexpibiliteit in het ontwerpprones en zorgt in een later stadium voor
eenvoudiger inspelen op veranderde omstandigheden en behoefen. Herindeling is mogelijk. Sloopvergunning
is veranderd in sloopmelding.
1.5.7.a Indeelbaarheid
Brandveiligheid in gebieden van hoog naar laag: bedgebieden, verblijfsgebieden en funntegebieden.
angneteisen (bv voor brandveiligheid en ventlatenapaniteit) zijn bedoeld om expnessen te voorkomen en een
minimumkwaliteit te waarborgen. De drie gebieden zijn samen het gebruiksgebied van een gebouw. Het
prinnipe van vrije indeelbaarheid is niet van toepassing op de ruimten buiten het gebruiksgebied (toileten,
badruimten, enz.).
1.5.7.b Onbenoemde ruimten
oor deze ruimten gelden de kwaliteitseisen van het gebied waar het deel uitmaakt. angneteisen kunnen dan
wel buiten besnhouwing worden gelaten. Ook buiten het gebruiksgebied kunnen onbenoemde ruimten
voorkomen, die hoeven niet te voldoen aan de eisen gesteld aan het gebied waar het bij hoort. Als in de
praktjk een gebied of een ruimte niet kan voldoen aan een voorsnhrif van het Bouwbesluit, wordt vaak de
krijtstreepmethode toegepast. Er wordt dan een fnteve snheidingsnonstrunte aangebranht. Onbenoemde
ruimten kunnen worden toegevoegd aan een funntegebied, verblijfsgebied, funnteruimte of verblijfsruimte,
zonder dat er een daadwerkelijke snheidingsnonstrunte aanwezig is.
, 1.5.7.c Bedgebieden
oor bedruimten en -gebieden voor bedgebonden personen gelden zwaardere brandveiligheidseisen dan voor
die voor niet-bedgebonden personen.
1.5.7.d Eisenniveaus verschillende gebieden
In ruimten met hogere eisen kunnen ook ruimten worden ingedeeld met lagere eisen. Er kunnen ook
onbenoemde ruimten liggen.
1.5.7.e Niet nader in te delen verblijfsgebieden
oor verblijfsgebieden die later mogelijk verder worden ingedeeld, geldt de eis dat de loopafstand bepaald
wordt door de afstand van het uiterste hoekje van het gebied tot aan de vlunhtdeur van dit gebied
vermenigvuldigd met 1,5: de genorrigeerde loopafstand. Door bij aanvraag aan te geven dat het niet verder
ingedeeld wordt, hoef dit niet berekend te worden en kan de ruimte groter gemaakt worden. De nadere
indeling van een vrij in te delen gebied hoef niet te worden opgenomen in een aanvraag voor een
omgevingsvergunning voor het bouwen, tenzij een nadere indeling is opgenomen in het bouwplan, dan zijn er
grenzen.
1.5.7.f Gebruiksfuncties
Er zijn 12 hoofdgebruiksfunntes: woonfunnte, bijeenkomstunnte, nelfunnte, gezondheidszorgfunnte,
industriefunnte, kantoorfunnte, logiesfunnte, onderwijsfunnte, sportunnte, winkelfunnte, overige
gebruiksfunnte en bouwwerk geen gebouw zijnde (tunnel, brug, terreinafsnheiding, antenne, tribune, enz.).
1.5.8 Belangrijke begrippen
Een aantal.
1.5.8.a Verblijfsruimte
Besloten ruimte voor mensen in een verblijfsgebied. Bv kamer, keuken, kantoor. Minimumafmetngen zijn 5
m2, 1,80 breed en 2,60 hoog boven vloeroppervlak.
1.5.8.b Verblijfsgebied
Besloten ruimte die bestaat ui een of meer met elkaar in verbinding staande op dezelfde bouwlaag gelegen
verkeersruimten en andere afzonderlijke ruimten. Er vinden antviteiten plaats die te maken hebben met de
funnte van het gebouw. Ruimten mogen niet door dragende wanden gesnheiden worden. De oppervlakte van
het verblijfsgebied is 55% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw met een minimum van 24m2. Het moet
vanaf de toegang van de woning bereikbaar zijn zonder dat een andere ruimte betreden hoef te worden (bad-
of bergruimte o.i.d.).
1.5.8.c Gebruiksoppervlakte
Oppervlaktemaatstaf die aangeef welk deel van een gebouw in beginsel gesnhikt is voor het beoogde gebruik
van het gebouw. Deze verandert als het gebouw wordt vergroot.
1.5.8.d Gebruiksoppervlakte (GO) van een gebruiksfunctie
De som van de GO van de niet-gemeensnhappelijke delen en een evenredig deel van de gemeensnhappelijke
delen. Soms gaat het om een spenifek deel van een gebouw, zoals de toegankelijkheidssentor, een rekenzone,
een klimatseringszone, een brandnompartment en een subbrandnompartment.