Slidecast 1: Introductie Bestuurs- en organisatiewetenschap in 10 tegeltjeswijsheden
Bestuurswetenschap:
bestuurders, beleidsmakers, overheid
Macro: het systeem, het grotere plaatje
Richting: wat we willen
Voortschrijvend en normatief: hoe t zou moeten werken
Organisatiewetenschap
Dicht op managers, professionals, uitvoerders
Meso/micro: interne organisatie, mens + zijn sores
Inrichting: hoe we 't doen
Beschrijvend en begrijpend: hoe het feitelijk werkt
Uiteindelijk is het heel erg overlappend (één pot nat), maar ze vullen elkaar wel aan.
Tegeltjeswijsheden
1. Organisaties zijn knooppunten in de samenleving en in ons leven
Organisaties zijn knooppunten of (andere metafoor) de spil waar alles op draait: ze ordenen onze contacten,
reguleren onze dag, regeren ons leven.. Alle interacties verlopen via organisaties. Ze zijn overal. Ze zijn er van 's
ochtends vroeg tot 's avonds laat, maar omdat het zo normaal is, zien we het niet meer.
2. De rol als spil in de samenleving is in de afgelopen eeuw almaar toegenomen: wij leven in een
''organisatie-samenleving''
Na de tweede wereldoorlog is het geregistreerde aantal organisaties onwijs toegenomen (grote en kleine). En dit
trekt nog steeds door.
3. Wij weten over het algemeen geen moet van organisaties en hun werking.
Dit komt door: 1. Een georganiseerd leven is voorkomend vanzelfsprekend. 2. Ze zitten verborgen achter een
gouden muur.
4. Werk kan saai zijn, maar werkende mensen bestuderen is juist niet saai.
Gebruik bijv. een metafoor.
5. Nederlanders denken dat het om je privéleven draait, maar in de praktijk draait het (minstens evenzeer)
om je werk.
Werk is hartstikke belangrijk. Al gaat het niet goed op je werk, merk je dat privé. Je bent daar een groot deel van je
leven. Praten met iemand over zijn of haar werk moet dus hartstikke interessant gevonden worden, want daar
speelt van alles voor diegene.
6. Elke ordening (historisch, theoretisch, thematisch) van het gebied B&O is per definitie onvolmaakt en
onvolledig en dus een tikje willekeurig.
Wat Chris Grey en Hatch doen is nooit volledig. Niks is de precieze werkelijkheid. Alles met een korreltje zout.
Wat is een organisatie? Er is dus geen officiële definitie van een organisatie. Scott zegt dat een organisatie de
volgende elementen omvat: sociale structuur, doelen, deelnemers, technologie, omgeving. Maar ook dit kan je met
een korreltje zout nemen, want wat voor doel heeft een vriendschap? Elke vriend zegt misschien iets anders.
7. Bestuur & organisatie is en orde en wanorde en proces en product.
Het is er allebei. De één ziet meer wanorde en de ander meer orde.
Organisatie / bestuur = product.
Organiseren / besturen = proces (denk aan de drie O's)
Stel niemand gaat meer naar de les (organiseren), dan kan je je afvragen of de VU nog bestaat (de organisatie).
Een organisatie bepaalt het individu voor een deel, maar bestaat dus niet zonder die individuen.
8. Theorie is de landkaart, maar niet het landschap.
De theorie wordt vaak gezien met de waarheid, maar moet niet verward worden met de werkelijkheid/praktijk. We
doen onderzoek door te kijken naar het landschap, om te kijken of de landkaart klopt.
Elke theorie pakt een bepaald idee eruit en vergroot het uit en zegt: het is dit. Je krijgt verschillende visies. Elke
theorie is een poging er iets van te bakken, maar nooit de waarheid.
1 van 52
, 9. Wees verschillig!
Bedrijf wetenschap met enthousiasme, ergernis, vuur, verontwaardiging, frustratie, verwondering en een beetje
humor.
Metaforen van organisaties: - geeft inzichten: het opent je ogen voor het één en sluit je ogen voor het ander.
1. Machine: logica en rationaliteit. Organisaties als een efficiënte machine.
2. Organisme: biologische blik. Darwin: survival of the fittest.
3. Cultuur: aantal mensen met normen en waarden
4. Psychische gevangen: mensen raken er een beetje in opgesloten. De zuigende werking van een organisatie.
Je kan er niet meer aan ontsnappen.
5. Instrument van overheersing: mensen worden onderdrukt door bazen en moeten zo hard mogelijk
werken en zij worden er lekker rijk van.
6. Politiek spel: mensen zijn aan het konkelen en aan het doen.
College-indeling
Rationele versus humanistische sturing (1900-1940, jaren 60)
Formele versus informele organisatie (jaren 50 en 60)
Organisatie en omgeving (jaren 60 en 70)
Structuur versus cultuur (jaren 80 en 90)
Bureaucratie versus postbureaucratie (jaren 90 tot nu)
Slidecast 2: Opkomst van de organisatiesamenleving en ‘de bureaucratie’
Bureaucratische beheersing Humanistische beheersing
Scientific Management (Taylor 1856-1917) Human Relations School (Mayo '30 - Hawthorne)
Science of Administration (Fayol 1841-1925) Revisionisme (McGregor e.a. - na WO II – Maslow + X
en Y)
Organisatie als een rationeel, ontworpen, efficiënte Organisatie als een sociaal verband waarin mensen de
machine: beheersing van formele aspecten doorslag geven: beheersing informele aspecten
(motivatie, groepsprocessen...)
Vastleggen gedrag in regels en procedures Taakverdeling/verrijking, decentraal/ participatief
(formalisatie) en vastleggen van werkprocessen i.p.v. hiërarchisch
(standaardisatie) en taken en posities (differentiatie)
Mensbeeld: theorie x Mensbeeld: theorie y
(dus: prestatieloon) (dus: sociaal beleid)
Harde sturing door dwang, controle, straf Zachte sturing door inspraak, participatie
Management is een technische vaardigheid Management is een sociale vaardigheid
Dit zijn de twee basisprincipes, maar er zijn veel zijstromingen.
-Historische achtergrond
Overgang van de agrarische samenleving naar de industriële samenleving.
Overgang van traditionele standensamenleving naar moderne, verograniseerde samenleving. Opkomst van
grootschalige industrie, loonarbeid, grote steden, markteconomie, kapitalisme, 8 uur slaap (efficiënt), wetenschap
e.d.
1800-1850: kleine bedrijven van baas-eigenaar – kleine productie voor lokale markten
1850-1930: grote bedrijven onder leiding van professionele bestuurders – massaproductie voor grote markten
Kenmerken v/d organisaties v/d 20e eeuw: BIG BUSINESS
Grote gebouwen, veel personeel, etc.
Bedrijven extern gefinancierd (je bent niet zelf meer verantwoordelijk maar de onderneming)
Grote, complexe organisaties met verregaande differentiatie van taken: arbeidsverdeling
Horizontale en verticale integratie van de markt: samenwerking, fusies en overnames tussen concurrenten
(horizontaal) en tussen leveranciers, producenten en distributeurs (verticaal)
2 van 52
, Ontstaan van conglomeraten: ondernemingen actief in diverse markten
Oligopolie: markt beheerst door enkele ondernemers
Minder de ‘onzichtbare hand van de markt’ meer de zichtbare hand van het management ‘managerial
revolution'.
-19e eeuwse sociologen tijdens ontwikkeling industrialisatie: Durkheim, Marx, Weber
Karl Marx (1818-1883): theorie van het kapitaal tegenover de arbeid -> tegenstelling gaat tot ellende leiden
Emile Durkheim (1858-1917): een hechte gemeenschap naar een los gezelschap (continue bezig met dealen en
calculatie)
Max Weber (1864-1920): rationeel bureaucratisch
Naar een ‘modene’ verorganiseerde samenleving – ontwikkelingen die samenhangen met de 3 bovengenoemde
namen:
1. Proces van differentiatie en machtsconcentratie (arbeidsverdeling gekoppeld aan centraal geleide
organisaties)
2. Proces van ‘co modificatie’ of verwaring (activiteiten en hun opbrengst worden afgemeten aan het geld dat
ze opbrengen en teruggebracht naar ‘waren’(commodoties) die op de markt verhandeld worden.
3. Proces van rationalisatie (Max Weber): ordenen en systematiseren, waarmee ons denken en handelen
wordt onderworpen aan berekening, beredenering en beheersing.
Taylorism & Max Weber's bureaucratiemodel
Standaardisatie & formalisatie (rationalisme)
Horizontale arbeidsverdeling (differentiatie)
Verticale arbeidsverdeling (machtsconcentratie)
Prestatieloon (commodificatie)
In architectuur kun je horizontale en verticale differentiatie terugzien.
Adam Smith (1776): samenwerken, taakverdeling en coördineren verhoogt de productie. Dit idee wordt later
gebruikt in de theorieën van Taylor (V.S.), Henri Fayol (Fr), Luther Gulick (V.S.) en Max Weber (Duitsland)
-> rationeel-bureaucratisch management
Taylor (1856-1917 VS) - Scientific Management (rationeel)
Achtergrond: engineer in een grote staalfabriek. Denk aan stopwatch.
Door hem werd de bureaucratie wereldwijd populair.
Kenmerken:
Standaardisatie van werkprocessen en formalisatie van regels en procedures
Nauwgezette analyse van de arbeider, selectie en scholing voor specifieke taken en nauwgezette analyse van de
werkprocessen en formeel vastleggen van uit te voeren taken
Horizontale en verticale taakverdeling
Horizontaal: iedereen een deeltje. Verticaal: iemand die daar op moet managen. Kritiek: saai werk.
Beloningssysteem
De onderstaanden hebben veel gemeen met Taylorism maar zijn zijstromingen
Henri Fayol (1841-1925 Fr) - Science of Administration
Achtergrond: was de hoogste baas in een bedrijf.
Specialisatie, discipline, orde, centralisatie (indien efficiënter), hiërarchie, formele bevoegdheid, eenheid
van bevel en leiding, stabiel personeelsbestand, organisatiebelang boven individueel
Maar onderstaande punten wijken af van Taylor
Beloning (rechtvaardig en productie verhogend), rechtvaardige behandeling (mw), initiatief (en
meedenken), eensgezindheid
Luther Gulick (V.S.) - Science of Administration
3 van 52
, Schreef over hoe je leiding zou moeten geven (1937)
Planning, Organizing, Staffing, Directing, Coordination, Reporting, Budgetting
Henry Ford (1863-1947 V.S.)
Lopende band -> Technologische aansturing van het machinemodel wat Taylor had verzonnen. Dankzij de
productieverhoging kon hij betere arbeidsvoorwaarden geven (8-urige werkdag en hoger loon).
Hatch - Chapter 1: What is organization?
Organisatie: Als mensen samenwerken om een bepaalde behoefte of een bepaald doel te bereiken met
gecoördineerde inspanning. De coördinatie van activiteiten kan dus variëren van heel simpel tot super complex.
Vanaf de eerste mensheid bestaat organisatie. Elk sociaal soort doet dit om de kans op overleven in een
concurrerende ecologie te vergroten.
Concurrentie is net zo belangrijk voor organisatie als samenwerking. Concurrentie is namelijk altijd een onderdeel
van organisatie (altijd concurrentie in eten, territorium, banen), zelfs terwijl organisatie afhankelijk is van
samenwerking om het doel te kunnen bereiken.
Organisaties zijn complexer geworden door de jaren heen, maar een andere verandering is de specialisatie. Gevolg
is het verbeteren van kwaliteit en variatie van goederen/service en het efficiënter maken van de productie (minder
tijd of inspanning). Ander gevolg is de onderlinge afhankelijkheid.
Hier tegenover staat differentiatie. Men neemt meerdere rollen aan. Verdere aanmoediging voor specialisatie en
differentiatie komt voort uit interactie tussen maatschappijen. Het kan een rol hebben gespeeld bij oorlog, maar in
vredige tijden zorgen uitwisselingsrelaties voor economische groei.
Economie is afhankelijk van het vertrouwen tussen mensen. Instituties stabiliseren maatschappijen en hen
onderling. Een institutie is een maatschappelijk organisatie om sociale problemen te voorkomen. Voorbeelden zijn
het schudden van de hand, geld, huwelijk, familie, religie regering.
De uitvinding van machines leidde tot industrialisatie. Gevolg was verstedelijking, men kwam uit het platteland
vandaan voor nieuwe kansen. Gevolg hiervan was de ontwikkeling van service economies, welke verandering samen
met de computer van net zo'n omgang was. Deze ontwikkeling, samen met het gemakkelijk verplaatsen over de
wereld leidde ertoe dat sommige economische sterke organisaties hard groeiden. Dit promootte kapitalisme over
de wereld. De handel van grote organisaties droeg bij globalisatie -> aangetaste culturen en maatschappijen door
gemixte leden.
Kapitalisten dragen bij aan de welvaart die nodig is om middelen te leveren. Later kwamen stakeholders wat kan
verwijzen naar consumenten, werknemers, eigenaren, unies, regering, leveranciers etc. die allen deel uit maken van
de keten = een grotere organisatie. Hierdoor wordt merk en reputatie ook van belang.
Kapitalistische denkwijze van US en West-Europa: industrieën in Brazilië, Rusland, India en China zetten om voor
nieuwe economische ontwikkelingen te zorgen. Deze economieën van deze landen groeien enorm, maar de
stabiliteit en duurzaamheid is moeilijk te voorspellen, vanwege de politieke systemen en culturen.
The three O's: organization, organizations, organizing
Organisatie en organisaties zijn zelfstandig naamwoorden, terwijl organiseren een werkwoord is. Zelfstandig
naamwoorden gebruiken je bij het benoemen van iets, terwijl werkwoorden gebruikt kan worden om het verleden,
tegenwoordige tijd of de toekomst aan te geven.
Het tweevoudig principe van natuurkundige beweert dat, afhankelijk van hoe je observeert, materie kan ontstaan
als een deeltje of golf.
Al zie je organisatie als een ‘deeltje’ dan zie je Oxford University als een reeks van gebouwen gevestigd in Oxford,
Engeland, terwijl als je het als een 'golf’ ziet, het terugkerende lerende en lesgevende activiteiten zijn. Juist als die
golf bestaat (door terugkerende activiteiten) kan het worden gezien als een entiteit of object. ‘a wave becomes a
particle’ = acts of organization into entities (organizations). Andersom: ‘turn a particle into a wave’. Waar gaat
organisatie over in bepaalde entiteiten? Gecoördineerde oefeningen die leiden gewenste eindtoestanden.
Deeltje = enititeit '/organisatie. Golf = acts of organization/ terugkerende activiteiten.
4 van 52