Taalkunde 2 GNGT 1 Bijeenkomst 4: Morfologie
Aantekeningen bij weblecture via HUbl en de PowerPoint van de les.
Herhaling/terugblik
Fonologie gaat over fonemen, morfologie gaat over morfemen.
Foneem = betekenisloze bouwsteen.
Lexicon = verzameling lexemen.
Lexeem = betekenisvolle eenheden die kunnen voorkomen, kan woord of gebaar zijn, waarmee je
een zin kunt bouwen.
Die woorden en gebaren zijn op een bepaalde manier opgebouwd dat niet altjd op betekenisloos
niveau terechtkomt.
Morfeem = kleinste betekenisdragende element/bouwstenen van een taal.
Voorbeeld: Het woord ‘lepels’ kan je ontrafelen in losse klanken: l-e-p-e-l-s.
Elke klank is een betekenisloze bouwsteen. Maar er zit een niveau
tussen. Dit woord is opgebouwd uit twee betekenisdragende
bouwstenen, bouwstenen die samengevoegd zijn, namelijk: ‘lepel’ en
‘s’. ‘lepel’ betekent: het voorwerp waarmee je eten naar je mond
brengt, of waarmee je in een pan roert. ‘s’ betekent: meervoud.
De S is dus zowel betekenisloos, als klank, maar ook
betekenisdragend als meervoud(smorfeem).
Ander voorbeeld: gelukkig. Morfologisch opgebouwd uit: geluk en kig.
Eerste gedeelte is de defnite van geluk, en kig betekent dat iemand
zich zo voelt. Je kan er ook nog ongelukkig van maken.
Geluk is een vrij morfeem
Kig en on zijn gebonden morfemen.
Vrije morfemen zijn ook lexemen, ongelede woorden. Als je gaat ontleden kom je op betekenisloze
elementen terecht.
Morfologie gaat over gebonden morfemen, hoe de vorm van woorden/gebaren is. Hoe is een
woord/gebaar opgebouwd. Met de opbouw veranderd de betekenis.
Woordvormingsprocessen
Samenstellingen, derivate, (fexie), meervoud zijn morfologische
processen/woordvormingsprocessen. Hieronder per onderdeel een uitleg.
In gesproken talen worden in woordvormingsprocessen vaak gebruikt gemaakt van afxen, of
sufxen, de woordvorming is sequentieel. Het is een opeenvolging van morfemen.
Aantekeningen bij weblecture via HUbl en de PowerPoint van de les.
Herhaling/terugblik
Fonologie gaat over fonemen, morfologie gaat over morfemen.
Foneem = betekenisloze bouwsteen.
Lexicon = verzameling lexemen.
Lexeem = betekenisvolle eenheden die kunnen voorkomen, kan woord of gebaar zijn, waarmee je
een zin kunt bouwen.
Die woorden en gebaren zijn op een bepaalde manier opgebouwd dat niet altjd op betekenisloos
niveau terechtkomt.
Morfeem = kleinste betekenisdragende element/bouwstenen van een taal.
Voorbeeld: Het woord ‘lepels’ kan je ontrafelen in losse klanken: l-e-p-e-l-s.
Elke klank is een betekenisloze bouwsteen. Maar er zit een niveau
tussen. Dit woord is opgebouwd uit twee betekenisdragende
bouwstenen, bouwstenen die samengevoegd zijn, namelijk: ‘lepel’ en
‘s’. ‘lepel’ betekent: het voorwerp waarmee je eten naar je mond
brengt, of waarmee je in een pan roert. ‘s’ betekent: meervoud.
De S is dus zowel betekenisloos, als klank, maar ook
betekenisdragend als meervoud(smorfeem).
Ander voorbeeld: gelukkig. Morfologisch opgebouwd uit: geluk en kig.
Eerste gedeelte is de defnite van geluk, en kig betekent dat iemand
zich zo voelt. Je kan er ook nog ongelukkig van maken.
Geluk is een vrij morfeem
Kig en on zijn gebonden morfemen.
Vrije morfemen zijn ook lexemen, ongelede woorden. Als je gaat ontleden kom je op betekenisloze
elementen terecht.
Morfologie gaat over gebonden morfemen, hoe de vorm van woorden/gebaren is. Hoe is een
woord/gebaar opgebouwd. Met de opbouw veranderd de betekenis.
Woordvormingsprocessen
Samenstellingen, derivate, (fexie), meervoud zijn morfologische
processen/woordvormingsprocessen. Hieronder per onderdeel een uitleg.
In gesproken talen worden in woordvormingsprocessen vaak gebruikt gemaakt van afxen, of
sufxen, de woordvorming is sequentieel. Het is een opeenvolging van morfemen.