, Proza-analyse collegeaantekeningen
College 1
Proza: alle geschreven teksten in normale taal.
Poëzie: teksten in dichtvorm geschreven.
Kenmerken Proza:
- geschreven in bepaald tidsverloop
- inleiding, kern, slot
- karakterontwikkelingen
Poëzie is altid bedacht door mensen. Het is een begrip om werkeliikheid te ordenen.
Hoofdzones teksten:
- Lyriek - Epiek - Dramatek
* monologische taalsituate * ingebedde taalsituate *
dialogische
* momentaan * verteller / verhaal taal
* exclamato * geschiedenis
* Apostrophe
Monologische taalsituatie = één persoon is aan het woord.
Ingebedde taalsituatie = woordvoerder(s) in dialoog binnen het verhaal.
Momentaan = situate op één moment.
Exclamatio = Uitroep
Apostrophe = degene die wordt aangesproken door de woordvoerder.
College 2
Soorten vertellers in een verhaal – vertelinstanties:
- Belevend-ik = maakt het verhaal mee.
- Verhalend-ik = vertelt het verhaal wat al gebeurd is terug.
- Gedramatiseerde verteller = verteller neemt een personage in de tekst aan. Je kan hem aanwiizen
in het verhaal.
* ik-verteller/ ik-getuige: kleine rol in het verhaal.
* auctoriale verteller/ getuige verteller: alleswetend, de ik die ook over anderen praat in
een
combinate van eerste en derde persoon.
- Afgezwakte auctoriale verteller = levert wel commentaar, is alleen in derde persoon geschreven.
- Externe verteller = vertelt over anderen en komt zelf niet in het verhaal voor.
- Personage gebonden verteller = vertelt over anderen en geef geen commentaar, is zelf een
personage in het verhaal.
Verhoudingen vertellend- en belevend ik:
- Vertellend-ik bliif op de achtergrond.
- Vertellend-ik geef kantekeningen.
- Vertellend-ik vertelt over wat er in het heden gebeurt.
- ze smelten samen.
Focalisator = degene die waarneemt in het verhaal en die ie volgt (camerapunt).
1