Je gebruikt de – s wanneer: die uitgesproken wordt
Je gebruikt de -en: wanneer het woord alleen een meervoud heef op en (kersenvlaai)
Je gebruikt de -e: wanneer het woord een meervoud heef op en en op es (groentesoep)
Ook wanneer het om unieke zaken of personen gaat (Koninginnedag, zonnestraal)
Je gebruikt het streepje: wanneer er een klinkerbotsing ontstaat
voor een cijfer, symbool (% teken, 20 jarige)
het eerste deel een status aangeef (oud leerling)
als het tweede deel met een hoofdleter begint (oer Hollands)
als het tweede deel een naam is (kabinet Rute)
Werkwoordspelling
Gebruik ’t ex-kofschip
1. Haal en van het infniief af
2. Zit de laatste leter in t ee kofschip? Ja > T
Nee > D
Bij Engelse werkwoorden:
1. X, sh en c ziten allemaal in het kofschip > crashen, crashte, gecrasht
2. Sommige woorden hebben voor de uitspraak nog een e nodig > deletet, deletete, gedeletet
3. Bij ‘zwakke werkwoorden met een f of s die in een v en z veranderen mag je zelf kiezen welke
je gebruikt: golfde/golfe
TOEPASSEN:
In de tegenwoordige tijd gebruik je de regel ik-vorm + t -> vind|en + t = hij vindt
In de verleden tijd gebruik je de regel ’t ex-kofschip -> neem de stam van het betrefende
werkwoord (NIET de ik-vorm) dus bij verven neem je verv.
Kijk vervolgens naar ’t ex-kofschip. Zit de laatste letter erin? Ja -> dan schrijf je het met een T. Nee?
Dan schrijf je het met een -d, -de, -den.
Dus in dit geval, nee. Dan wordt het verfde / verfden.
Antwoorden. Stam = antwoord. Zit de D erin? Nee. Dus wordt het antwoordde.
Passeren. Stam = passer. Zit de R erin? Nee. Dus: passeerde.
Verwachten. Stam = verwacht. Zit de T erin? Ja. Dus: verwachtte
In de voltooide tijd gebruik je vaak beide regels. In deze tijd heb je namelijk te maken met
minimaal twee werkwoorden. Daarom pas je dus op het ene werkwoord (de persoonsvorm of
hulpwerkwoord) vaak de regel ik-vorm + t toe en op het andere werkwoord (het voltooid
deelwoord) de regel ’t ex-kofschip.
Alle/sommigen
Je gebruikt een -n als het slaat op personen: beiden hebben spijt van hun beslissing
Je gebruikt GEEN -n als het slaat op dingen/dieren: beide koeien eten gras
beide bedrijven gaan failliet
sommige bedrijven gaan failliet
UITZONDERING: Wij hebben dertig leerlingen. Sommige lunchen op school.
Hier kun je ‘dertig’ vervangen door sommige. Dan hoeft er dus geen -n.
Verkleinwoorden
- Bij een lange klinker -> extra klinker. Dus: autootje, laatje, fotootje.
- Eindigt op é -> accent verdwijnt en een extra -e. Dus: cafeetje, sateetje
- Eindigt op -i -> extra -e . Dus: skietje
- Eindigt op -y -> apostrof. Dus: baby’tje, lolly’tje
- Afkortingen en cijfers -> apostrof. Dus: A4’tje, sms’je
- Franse woorden -> plak er -tje, -je, -pje aan vast -> portemonneetje