Formeel bestuurs- en belastnnreect
College 1
1. Inleiding bestuursrecht
Staatsrecht: organisate van de overheid, bevoegdheden van organen en de relate tussen
overheid en burger.
Staat
Rechtsbronnen
Grondrechten
Wetgevingsleer
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht
Partjen
Bestuurshandelingen en a.b.b.b.
Handhaving en rechtsbescherming
Rechterlijke macht
Bronnen
Staatsrecht: de Grondwet (1815, 1983), weten, internatonale verdragen, statuur,
jurisprudente en gewoonterecht.
Bestuursrecht: ongeschreven en sinds 1983 meer geschreven (Arob en later AWB).
Staatsbegrip: Bevolking op bepaald grondgebied met efectef en stabiel gezag (erkenning).
Rb Den Haag 21-02-1981.
Waarneembaar is het grondgebied, de bevolking en de vertegenwoordigers.
Staatsgebied: binnen het grondgebied exclusieve rechtsmacht voor allen binnen het territoir.
De grenzen worden vastgesteld middels verdragen (ook water en luchtruim).
Decentralisate: de macht evenredig verdelen over een aantal gelijkwaardige
rechtspersonen.
Versus centralisate: het streven naar een nate die zoveel mogelijk vanuit een
centraal punt/orgaan/persoon bestuurd wordt.
Versus deconcentrate: het overdragen van macht vanuit een centrale administrate
door een hoger rechtspersoon (de overheid) naar lagere instantes die zelf geen
rechtspersoon zijn, maar een intern deel vormen van dezelfde hogere rechtspersoon
die de macht op deze manier spreidt. De macht wordt niet evenredig verdeeld over
een aantal gelijkwaardige rechtspersonen (GEEN DECENTRALISATIE).
Functonele decentralisate: bepaalde taken die eerst op centraal niveau werden
uitgeoefend worden doorgegeven aan organisates die zich op een specifeke taak
concentreren (decentralisate naar openbare lichamen voor beroep en bedrijf)
, Territoriale decentralisate: bepaalde taken die eerst centraal werden uitgevoerd
worden doorgegeven aan in verschillende gebiedsdelen bestaande organisates
(decentralisate naar gemeenten en provincies).
Decentralisate kan plaatsvinden door
o Autonomie: de originaire bevoegdheid tot regelgeving en bestuur zonder
enige andere beperking dan de grondwetelijke. Het lagere orgaan krijgt de
zelfstandige bevoegdheid tot bestuur.
o Medebewind: er wordt medewerking gegeven aan de uitvoering van weten,
dan wel, in ruimere zin, aan regelingen van wetgevers welke daartoe bevoegd
zijn. Het lagere orgaan wordt toegestaan hogere regelingen op zelfstandige
wijze uit te voeren.
Grenzen bevoegdheid
Grondgebied
Privé-huishouding
Hogere regelingen
De Montesquieu
Drie functes:
o Wetgevende macht Parlement
o Uitvoerende macht Koning
o Rechtsprekende macht Rechters
Delegate wetgeving
In hoeverre mag worden gedelegeerd aan regering?
o Regels (art. 9 lid 2 Grondwet): wanneer dit woord wordt gebruikt, mag er
gedelegeerd worden.
o Regelen (art. 2 lid 1 Grondwet): wanneer dit woord wordt gebruikt, mag er
gedelegeerd worden.
o Bij of krachtens de wet (art. 11 Grondwet): wanneer dit er staat, mag er
gedelegeerd worden.
Anders alleen de formele wetgever (art. 8 Grondwet): bijvoorbeeld wanneer
er staat dat het “bij wet” bepaald moet worden of dat “de wet” het vaststelt.
Voordelen: regels zijn door (sub)delegate snel te wijzigen, snelle reacte op veranderingen is
mogelijk en het parlement wordt ontlast.
Nadelen: controle door het parlement vindt nauwelijks plaats, openbaarheid ontbreekt en
parlement komt mogelijk op zijspoor.
Verhouding AWB en AWR
AWB geeft de algemene regels voor het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht.
AWR geeft speciale regels die voorrang hebben boven de algemene regels.
Bestuursrecht
Centraal staat het uitvoeren van overheidstaken.
, o Instrumenten tot besturen (functonele/instrumentele functe): de overheid
krijgt bevoegdheden/instrumenten om de samenleving te besturen.
o Waarborgen voor burgers (waarborgfuncte): bescherming van burger tegen
overheid tegen machtsmisbruik.
Belang en begrip
Organisate en inrichtng van het openbaar bestuur:
o Verlening bestuursbevoegdheden aan bestuursorganen.
o Uitoefenen van die bestuursbevoegdheden.
o Handhaving van die bevoegdheden.
o Waarborgen voor goed gebruik van die bevoegdheden.
Doelstellingen AWB
Bevorderen van de eenheid binnen bestuursrechtelijke wetgeving.
Systematseren (en vereenvoudigen) van de bestuursrechtelijke wetgeving.
Codifceren van ontwikkelingen in de bestuursrechtelijke rechtspraak.
Trefen van algemene voorzieningen voor bijzondere bestuursrechtelijke regelingen.
Ter realisering van het bovenstaande: dwingende regels (art. 6:7 AWB), regelend
recht (art. 4:1 AWB), regels van aanvullend recht (art. 3:6 AWB) en facultateve
standaardregelingen (art. 3:10 AWB).
2. Partjen
Besluit (art. 1:2 lid 1 AWB): een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Bestuursorgaan (art. 1:1 lid 1 AWB)
De organen van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (onderdeel
a): staat, provincies, gemeenten, waterschappen, rijksuniversiteiten.
Persoon met openbaar gezag (onderdeel b): kiesraad, registratekamer, bijzondere
universiteiten.
Art. 1:1 lid 2 AWB: organen, personen en colleges die niet worden aangemerkt als
bestuursorgaan.
Belanghebbende (art. 1:2 AWB)
Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een
besluit is betrokken (lid 1).
Vereisten:
o Objectef bepaalbaar: niet alleen in iemands persoonlijke belevingswereld,
maar ook te delen door anderen. Het moet een objectef bepaalbaar belang
betrefen.
o Persoonlijk belang: de persoon moet zich voldoende onderscheiden van
willekeurige anderen.
Nabijheid: territoriale efecten. Geval tot geval bekijken.
Concurrentebelangen: aantoonbare invloed van het besluit in kweste
op belangen van de belanghebbende.
College 1
1. Inleiding bestuursrecht
Staatsrecht: organisate van de overheid, bevoegdheden van organen en de relate tussen
overheid en burger.
Staat
Rechtsbronnen
Grondrechten
Wetgevingsleer
Bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht
Partjen
Bestuurshandelingen en a.b.b.b.
Handhaving en rechtsbescherming
Rechterlijke macht
Bronnen
Staatsrecht: de Grondwet (1815, 1983), weten, internatonale verdragen, statuur,
jurisprudente en gewoonterecht.
Bestuursrecht: ongeschreven en sinds 1983 meer geschreven (Arob en later AWB).
Staatsbegrip: Bevolking op bepaald grondgebied met efectef en stabiel gezag (erkenning).
Rb Den Haag 21-02-1981.
Waarneembaar is het grondgebied, de bevolking en de vertegenwoordigers.
Staatsgebied: binnen het grondgebied exclusieve rechtsmacht voor allen binnen het territoir.
De grenzen worden vastgesteld middels verdragen (ook water en luchtruim).
Decentralisate: de macht evenredig verdelen over een aantal gelijkwaardige
rechtspersonen.
Versus centralisate: het streven naar een nate die zoveel mogelijk vanuit een
centraal punt/orgaan/persoon bestuurd wordt.
Versus deconcentrate: het overdragen van macht vanuit een centrale administrate
door een hoger rechtspersoon (de overheid) naar lagere instantes die zelf geen
rechtspersoon zijn, maar een intern deel vormen van dezelfde hogere rechtspersoon
die de macht op deze manier spreidt. De macht wordt niet evenredig verdeeld over
een aantal gelijkwaardige rechtspersonen (GEEN DECENTRALISATIE).
Functonele decentralisate: bepaalde taken die eerst op centraal niveau werden
uitgeoefend worden doorgegeven aan organisates die zich op een specifeke taak
concentreren (decentralisate naar openbare lichamen voor beroep en bedrijf)
, Territoriale decentralisate: bepaalde taken die eerst centraal werden uitgevoerd
worden doorgegeven aan in verschillende gebiedsdelen bestaande organisates
(decentralisate naar gemeenten en provincies).
Decentralisate kan plaatsvinden door
o Autonomie: de originaire bevoegdheid tot regelgeving en bestuur zonder
enige andere beperking dan de grondwetelijke. Het lagere orgaan krijgt de
zelfstandige bevoegdheid tot bestuur.
o Medebewind: er wordt medewerking gegeven aan de uitvoering van weten,
dan wel, in ruimere zin, aan regelingen van wetgevers welke daartoe bevoegd
zijn. Het lagere orgaan wordt toegestaan hogere regelingen op zelfstandige
wijze uit te voeren.
Grenzen bevoegdheid
Grondgebied
Privé-huishouding
Hogere regelingen
De Montesquieu
Drie functes:
o Wetgevende macht Parlement
o Uitvoerende macht Koning
o Rechtsprekende macht Rechters
Delegate wetgeving
In hoeverre mag worden gedelegeerd aan regering?
o Regels (art. 9 lid 2 Grondwet): wanneer dit woord wordt gebruikt, mag er
gedelegeerd worden.
o Regelen (art. 2 lid 1 Grondwet): wanneer dit woord wordt gebruikt, mag er
gedelegeerd worden.
o Bij of krachtens de wet (art. 11 Grondwet): wanneer dit er staat, mag er
gedelegeerd worden.
Anders alleen de formele wetgever (art. 8 Grondwet): bijvoorbeeld wanneer
er staat dat het “bij wet” bepaald moet worden of dat “de wet” het vaststelt.
Voordelen: regels zijn door (sub)delegate snel te wijzigen, snelle reacte op veranderingen is
mogelijk en het parlement wordt ontlast.
Nadelen: controle door het parlement vindt nauwelijks plaats, openbaarheid ontbreekt en
parlement komt mogelijk op zijspoor.
Verhouding AWB en AWR
AWB geeft de algemene regels voor het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht.
AWR geeft speciale regels die voorrang hebben boven de algemene regels.
Bestuursrecht
Centraal staat het uitvoeren van overheidstaken.
, o Instrumenten tot besturen (functonele/instrumentele functe): de overheid
krijgt bevoegdheden/instrumenten om de samenleving te besturen.
o Waarborgen voor burgers (waarborgfuncte): bescherming van burger tegen
overheid tegen machtsmisbruik.
Belang en begrip
Organisate en inrichtng van het openbaar bestuur:
o Verlening bestuursbevoegdheden aan bestuursorganen.
o Uitoefenen van die bestuursbevoegdheden.
o Handhaving van die bevoegdheden.
o Waarborgen voor goed gebruik van die bevoegdheden.
Doelstellingen AWB
Bevorderen van de eenheid binnen bestuursrechtelijke wetgeving.
Systematseren (en vereenvoudigen) van de bestuursrechtelijke wetgeving.
Codifceren van ontwikkelingen in de bestuursrechtelijke rechtspraak.
Trefen van algemene voorzieningen voor bijzondere bestuursrechtelijke regelingen.
Ter realisering van het bovenstaande: dwingende regels (art. 6:7 AWB), regelend
recht (art. 4:1 AWB), regels van aanvullend recht (art. 3:6 AWB) en facultateve
standaardregelingen (art. 3:10 AWB).
2. Partjen
Besluit (art. 1:2 lid 1 AWB): een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Bestuursorgaan (art. 1:1 lid 1 AWB)
De organen van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (onderdeel
a): staat, provincies, gemeenten, waterschappen, rijksuniversiteiten.
Persoon met openbaar gezag (onderdeel b): kiesraad, registratekamer, bijzondere
universiteiten.
Art. 1:1 lid 2 AWB: organen, personen en colleges die niet worden aangemerkt als
bestuursorgaan.
Belanghebbende (art. 1:2 AWB)
Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een
besluit is betrokken (lid 1).
Vereisten:
o Objectef bepaalbaar: niet alleen in iemands persoonlijke belevingswereld,
maar ook te delen door anderen. Het moet een objectef bepaalbaar belang
betrefen.
o Persoonlijk belang: de persoon moet zich voldoende onderscheiden van
willekeurige anderen.
Nabijheid: territoriale efecten. Geval tot geval bekijken.
Concurrentebelangen: aantoonbare invloed van het besluit in kweste
op belangen van de belanghebbende.