Samenvatting Artikelen / Denkers
Research Methods
Final exam: kwalitatief deel
→ Kort overzicht van alle namen met aantekeningen die in
de hoorcolleges (13 t/m 22) zijn besproken.
,GUBA EN LINCOLN
Parallel criteria: het interpretivistische en realistische paradigma
- Rigor criteria hebben weinig nut wanneer je aanneemt dat er geen echte observeerbare
wereld out there is
- In plaats daarvan (artikel Guba & Lincoln, Parallel criteria (1989)):
- Credibility
- Transferability
- Dependability
- Confirmability
- Deze criteria heten ‘parallel criteria’ omdat ze de criteria van positivistisch onderzoek
spiegelen
Beoordeling van de kwaliteit van een kwaLitatief onderzoek (de Parallel criteria)
1. Credibility (Geloofwaardigheid)
- Parallel aan interne validiteit
- Guba en Lincoln: reflecteert mijn resultaat wat de mensen (participanten) zelf zien als hun
redenen voor iets? Is dit wat mensen denken (zo ja: dat is goed want dat reflecteert dus hun
werkelijkheid)?
- G&L: “isomorphism between constructed realities of respondents and the reconstructions
attributed to them” → 6 manieren om dit te checken (zie artikel!)
1) Prolonged engagement = voor een langere tijd onderzoeken
2) Persistent observation = diepte en kijken welke karakteristieken het meest relevant
zijn. Je onderdompelen in de gemeenschap die je onderzoekt.
3) Peer debriefing = the process of engaging with a disinterested peer
4) Negative case analysis = je hebt een bepaalde aanname van tevoren, en gedurende
de weg pas je deze de hele tijd aan. Contradivity van jouw verwachtingen ook in acht
nemen
5) Progressive subjectivity = bijhouden wat jouw aanname is voordat je begint en dat je
daar ook op terugkomt, a priori, opschrijven en duidelijk maken.
6) Member checks = als het onderzoek af is, ga je dan terug naar de respondenten om
en de resultaten te laten zien.
- G&L noemen ook ‘member checks’ (meest belangrijk) = als het onderzoek af is, ga je
dan terug naar de respondenten om hen de resultaten te laten zien?
2. Transferability (Overdraagbaarheid)
- Parallel aan externe validiteit
- G&L: in interpretivistisch onderzoek is elke vorm van generalisatie “depends entirely
on the degree to which salient [opvallende] conditions overlap or match”
- Maar: interpretivisten willen hun lezers wel iets leren over een breder fenomeen, je
moet dus heel specifiek omschrijven wat je context is en dit kan dan overeenkomen
1
, met een andere context en ook hier van toepassing zijn, dit doet de onderzoeker niet
maar de lezer wel
- Je moet dus een brede beschrijving geven van jouw resultaten binnen de juiste
context (tijd, plaats, cultuur)
3. Dependability (Betrouwbaarheid)
- Parallel aan reliability, G&L: “concerned with the stability of data over time” (is dus
problematisch in interpretivistisch onderzoek)
- Hoe zorg je voor dependability? → Process audit = dat buitenstaande reviewers “can
explore the process, judge the decisions that were made and understand what salient factors
(...) led the evaluator to the decisions and interpretations made”. Als iemand jouw artikel leest
of jou contacteert, dat zij kunnen begrijpen wat je nou precies hebt gedaan. Je verantwoordt
dus welke keuzes je hebt gemaakt → transparantie
4. Confirmability (Controleerbaarheid/Toetsbaarheid)
- Parallel aan objectivity
- G&L: “assuring that data, interpretations, and outcomes of inquiries are rooted in contexts
and persons apart from the evaluator and are not simply figments of the evaluator’s
imagination”
- Maar wacht! Franca vindt deze verklaring van G&L een beetje dubieus, aangezien G&L
impliceren dat als iemand hetzelfde onderzoeksproces zou doorlopen als jij deze persoon tot
dezelfde conclusie zou komen en dat kan natuurlijk niet. → dus zijn er nieuwere criteria voor
interpretivistisch onderzoek ontwikkelt, de ‘relational criteria’
HOCHSCHILD
Hochschild’s boek “Strangers in Their Own Land” (sociologe): leeft in San-Francisco, ze
kende niemand die op de Tea-Party (Republikeinen) stemde dus besloot ze de deze mensen te
gaan onderzoeken om te begrijpen waarom mensen hierop stemmen.
→ Een paar van haar belangrijkste insights: Belang van emoties, doen kwantitatieve
onderzoeken niet echt aan
Engagement met theorie in interpretivistisch onderzoek
- Inductief, maar de term inductie is een beetje misleidend
- Denk aan grounded theory, je moet dan zo meningloos ‘blank’ mogelijk het veld in
gaan, geen theoretische onderbouwing. Maar, kan dat wel in het echt? Franca vindt van
niet.
- In praktijk: vaak abductief onderzoek, heen en weer tussen theorie en empirie
- Voor het onderzoek begint:
2
Research Methods
Final exam: kwalitatief deel
→ Kort overzicht van alle namen met aantekeningen die in
de hoorcolleges (13 t/m 22) zijn besproken.
,GUBA EN LINCOLN
Parallel criteria: het interpretivistische en realistische paradigma
- Rigor criteria hebben weinig nut wanneer je aanneemt dat er geen echte observeerbare
wereld out there is
- In plaats daarvan (artikel Guba & Lincoln, Parallel criteria (1989)):
- Credibility
- Transferability
- Dependability
- Confirmability
- Deze criteria heten ‘parallel criteria’ omdat ze de criteria van positivistisch onderzoek
spiegelen
Beoordeling van de kwaliteit van een kwaLitatief onderzoek (de Parallel criteria)
1. Credibility (Geloofwaardigheid)
- Parallel aan interne validiteit
- Guba en Lincoln: reflecteert mijn resultaat wat de mensen (participanten) zelf zien als hun
redenen voor iets? Is dit wat mensen denken (zo ja: dat is goed want dat reflecteert dus hun
werkelijkheid)?
- G&L: “isomorphism between constructed realities of respondents and the reconstructions
attributed to them” → 6 manieren om dit te checken (zie artikel!)
1) Prolonged engagement = voor een langere tijd onderzoeken
2) Persistent observation = diepte en kijken welke karakteristieken het meest relevant
zijn. Je onderdompelen in de gemeenschap die je onderzoekt.
3) Peer debriefing = the process of engaging with a disinterested peer
4) Negative case analysis = je hebt een bepaalde aanname van tevoren, en gedurende
de weg pas je deze de hele tijd aan. Contradivity van jouw verwachtingen ook in acht
nemen
5) Progressive subjectivity = bijhouden wat jouw aanname is voordat je begint en dat je
daar ook op terugkomt, a priori, opschrijven en duidelijk maken.
6) Member checks = als het onderzoek af is, ga je dan terug naar de respondenten om
en de resultaten te laten zien.
- G&L noemen ook ‘member checks’ (meest belangrijk) = als het onderzoek af is, ga je
dan terug naar de respondenten om hen de resultaten te laten zien?
2. Transferability (Overdraagbaarheid)
- Parallel aan externe validiteit
- G&L: in interpretivistisch onderzoek is elke vorm van generalisatie “depends entirely
on the degree to which salient [opvallende] conditions overlap or match”
- Maar: interpretivisten willen hun lezers wel iets leren over een breder fenomeen, je
moet dus heel specifiek omschrijven wat je context is en dit kan dan overeenkomen
1
, met een andere context en ook hier van toepassing zijn, dit doet de onderzoeker niet
maar de lezer wel
- Je moet dus een brede beschrijving geven van jouw resultaten binnen de juiste
context (tijd, plaats, cultuur)
3. Dependability (Betrouwbaarheid)
- Parallel aan reliability, G&L: “concerned with the stability of data over time” (is dus
problematisch in interpretivistisch onderzoek)
- Hoe zorg je voor dependability? → Process audit = dat buitenstaande reviewers “can
explore the process, judge the decisions that were made and understand what salient factors
(...) led the evaluator to the decisions and interpretations made”. Als iemand jouw artikel leest
of jou contacteert, dat zij kunnen begrijpen wat je nou precies hebt gedaan. Je verantwoordt
dus welke keuzes je hebt gemaakt → transparantie
4. Confirmability (Controleerbaarheid/Toetsbaarheid)
- Parallel aan objectivity
- G&L: “assuring that data, interpretations, and outcomes of inquiries are rooted in contexts
and persons apart from the evaluator and are not simply figments of the evaluator’s
imagination”
- Maar wacht! Franca vindt deze verklaring van G&L een beetje dubieus, aangezien G&L
impliceren dat als iemand hetzelfde onderzoeksproces zou doorlopen als jij deze persoon tot
dezelfde conclusie zou komen en dat kan natuurlijk niet. → dus zijn er nieuwere criteria voor
interpretivistisch onderzoek ontwikkelt, de ‘relational criteria’
HOCHSCHILD
Hochschild’s boek “Strangers in Their Own Land” (sociologe): leeft in San-Francisco, ze
kende niemand die op de Tea-Party (Republikeinen) stemde dus besloot ze de deze mensen te
gaan onderzoeken om te begrijpen waarom mensen hierop stemmen.
→ Een paar van haar belangrijkste insights: Belang van emoties, doen kwantitatieve
onderzoeken niet echt aan
Engagement met theorie in interpretivistisch onderzoek
- Inductief, maar de term inductie is een beetje misleidend
- Denk aan grounded theory, je moet dan zo meningloos ‘blank’ mogelijk het veld in
gaan, geen theoretische onderbouwing. Maar, kan dat wel in het echt? Franca vindt van
niet.
- In praktijk: vaak abductief onderzoek, heen en weer tussen theorie en empirie
- Voor het onderzoek begint:
2