1. Een atoom beschrijven en uitleggen welke invloed de atoomstructuur heef op de interactes tussen
atomen.
Atomen zijn de kleinste eenheden van de materie (materie = stof).
Atomen bestaan uit: elektronen, neutronen en protonen
Protonen: (P+), positeve elektrische lading
Neutronen (N0): Neutraal, ongeladen
Elektronen (E-): Massa is licht, 1/1836ste van een proton
Invloed van atoomstructuur:
Atomen kunnen zich binden via chemische reactes. (chemische binding word gevormd)
Atomen:
kleinste materie
materie bestaat uit stofen die elementen heten
elementen kunnen niet veranderd/afgebroken worden door chemische processen, verhitng of
andere natuurkundige processen
Isotopen:
Elementen van atomen met afwijkende aantal neutronen
Isotopen kunnen alleen gescheiden worden door hun massagetal (dat is aantal protonen + aantal
neutronen in kern)
Instabiele isotopen zijn radioactef (kunnen stralingen uitstoten)
Atoommassa:
de massa van een specifeke isotoop van gegeven atoom, maar het wordt ook in een verkeerde
betekenis gebruikt om het gemiddelde gewicht te beschrijven van een monster van verschillende
isotopen van hetzelfde element, wat eigenlijk relateve atoommassa of atoomgewicht heet.
Elektronenschillen:
Elektronen hebben reeks elektronenschillen rond kern
Aantal elektronen in buitenste elektronenschil is bepalend voor chemische eigenschappen
van atoom
2. De manieren vergelijken waarop atomen reageren om moleculen en verbindingen te vormen.
Manier 1: Combinates van atomen en verschillende elementen vormen een verbinding.
Manier 2:
3. Chemische notate gebruiken om chemische reactes te noteren en onderscheid te maken tussen de
drie belangrijkste chemische reactes die van belang zijn bij het bestuderen van de fysiologie.
Chemische notates:
Afbraakreactes: AB -> A + B
(Watermolecuul: A – B – C – D – E + H2O -> A – B – C – H + HO – D – E)
Synthesereacteeopbouwreactes: A + B -> AB
Substtutereacteeomkeerbare reactes: AB + CD -> AD + CB
Belangrijkste soorten reactes:
Afbraakreacte:
moleculen worden tot kleinere fragmenten afgebroken.
Dergelijke reactes komen tjdens spijsvertering
Kan genoteerd worden als: AB -> A + B
Bij water is bij complexe moleculen
, Bij waterafbraak worden complexe moleculen afgebroken
Watermolecuul: A – B – C – D – E + H2O -> A – B – C – H + HO – D – E
Hydrolyse: Hydro = Water | Lysis = afbraak.
Katabolisme (katabole/omlaag gooien) = afbraak reacte van complexe moleculen in cellen
Synthesereacteeopbouwreactes:
Synthese: tegenovergestelde van afbraak
Grotere moleculen opgebouwd uit kleinere onderdelen
Genoteerd als: A + B -> AB
A en B kunnen afzonderlijke atomen zijn die tot molecuul verbinden
Condensate: vorming van complexe molecuul onder afsplitsing van water
Condensate is tegenovergestelde van hydrolyse
Anabolisme (opbouwen): synthese van nieuwe verbindingen in lichaam
Katabolisme levert energie uit dat anabolisme en andere vitale functes ondersteund
Substtutereacteeomkeerbare reactes:
Onderdelen van moleculen die aan reacte meedoen worden opnieuw gerangschikt
Opnieuw gerankschikt: AB + CD -> AD + CB
Reagenta en reacteproducten bevaten zelfde onderdelen maar verschillen in combinates
Bij uitwisseling worden reagerende moleculen (AB & CD) afgebroken (afbraakreacte) en daarna
word er zo op gereageerd dat er weer AD + CB word gevormd (cynthesereacte)
4. De belangrijke rol van enzymen bij de stofwisseling beschrijven.
Belangrijkste rol van enzymen: Enzymen versnellen bepaalde biochemische reactes door
actveringsenergie van reactes te verlagen
Enzymen zijn speciale eiwiten die gemaakt worden in cellen.
Actveringsenergie: hoeveelheid energie dat er nodig is om reacte te starten
Enzymen reguleren veel chemische reactes in het lichaam
Enzymen zijn kataylsatoren die deelnemen aan reacte zonder dat ze afwijken
5. Onderscheid maken tussen organische en anorganische verbindingen.
Voedingsstofen en stofwisselingsproducten zijn verdeeld in organische en anorganische stofen
Organische verbindingen:
• Bestaan wel uit koolstof en waterstofatomen
• Ze kunnen groter en complexer zijn dan anorganische verbindingen
Anorganische verbindingen:
• Kleine moleculen die geen koolstof en waterstofatomen bevaten
6. Verklaren op welke wijze de chemische eigenschappen van water het leven mogelijk maken.
7. De pH-schaal en de rol van bufers in lichaamsvloeistofen beschrijven.