Week 1: hoofdstuk 1 en 6
Materieel strafrecht: regelt welke gedrag strafbaar is en tot welke sancties dat gedrag
kan leiden
Strafprocesrecht: procedureregels over het opsporingsonderzoek en het onderzoek
ter terechtzitting
Penitentiair recht: alle regels die betrekking hebben op mensen die een straf uitzitten.
(Dit is de fase nadat de rechter een uitspraak heeft gedaan.
Gematigd inquisitoir: onderzoek dat is gericht op het vaststellen van de waarheid en
waarin de verdachte voorwerp van het onderzoek is;
- De verdachte heeft niet dezelfde rechten als het OM
- De verdachte heeft geen zelfstandige rechten en bevoegdheden
- De waarheidsvinding staat centraal
- De strafrechter is actief en ondervraagt zelf getuigen en doet zelf het
onderzoek
Gematigd accusatoir: is een procedure tussen twee gelijkwaardige partijen. De
officier van justitie en de verdediging staat op gelijke voet en vechten met gelijke
wapens (:equality of arms).
De partijen hebben het proces volledig in handen, ze bepalen welke
onderzoekshandelingen zullen plaatsvinden en op welke wijze.
Vervolgingsmonopolie: het OM bepaalt of tot vervolging van een strafbaarheid over
wordt gegaan;
Opportuniteitsbeginsel: in artikel 167 en 242 Sv is aan het OM de bevoegdheid
toegekend zelfstandig te beslissen of n.a.v. een ingesteld opsporing (of
voorbereidend) onderzoek (verdere) vervolging moet plaatsvinden.
Functies strafrecht:
- Vergelding: leed toevoegen om iemand te boeten voor wat die heeft gedaan
- Preventie:
o Speciaal: je wilt voorkomen dat de dader nog een fout maakt
o Generaal: voorkomen dat andere de fout ingaan
Materieel strafrecht wetboek van strafrecht
Boek 1: Algemene bepaling
Boek 2: misdrijven
Boek 3: overtredingen
Bijzondere wetten: Opiumwet, Wet Wapens en Munitie, Wegenverkeerswet etc.
Materieel legaliteitsbeginsel: alle strafbare gedragingen moet in een wettelijk
bepaling staan. Een gedraging is dus alleen strafbaar als het in een wettelijk bepaling
staat. Art. 1 Sr.
1
,Strafbare feiten kunnen in wet in formele zin staan en in lagere regelgeving
Er zijn wel 4 sub-regels:
1. Lex certa: strafbare feiten moeten duidelijk zijn
2. Lex scripta: strafbare feiten moeten geschreven zijn
3. Verbod van terugwerkende kracht
4. Verbod van analogie: je mag het niet vergelijken met een ander (ongeveer
zelfde) strafbaarfeit
Strafprocesrecht wetboek van strafvordering
Boek 1: algemene bepalingen
Boek 2: strafvordering in eersten aanleg
Boek 3: rechtsmiddelen
Boek 4: enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Boek 5: Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking
Verdragen: schriftelijke afspraken tussen landen
EVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
IVBPR: Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
Strafvorderlijk legaliteitsbeginsel: alle strafprocesrechterlijke regels moeten een basis
hebben in de wet. Art. 1 Sv Opsporing
Vervolging
Berechting
Alle strafprocesrecht regels moeten in een wet in formele zin staan, omdat je ervoor
wilt zorgen dat de vrijheid van burgers alleen wordt beperkt als de hoge regelgeving
dat zegt.
Advocaat: art. 37 e.v. Sv
Taak: de belangen van de verdachten behartigen.
De verdachte heeft altijd recht op een advocaat, maar het is niet verplicht
Uitgangspunten en beginselen van een raadsman:
- Onafhankelijkheid: hij treedt onafhankelijk op van de vervolgende overheid. Hij
treedt op namen zijn cliënt en behartigt alleen diens belangen
- Onzelfstandigheid: hij verwoordt het standpunt dat instemming heeft van zijn
cliënt. Hij kan dus niet een visie naar voren brengen die niet gedeeld wordt
door zijn cliënt
- Eenheid van verdediging: hij beschikt over de bevoegdheden die zijn cliënt
zijn toebedeeld
- Vertrouwelijk: hij heeft een geheimhoudingsplicht ten aanzien van hetgeen
cliënt met hem bespreekt.
Slachtoffer: art 51a e.v. Sv
Rechten:
- Verwijzing naar slachtofferhulp art. 51aa Sv
- Informatieverstrekking art. 51ab Sv
- Inzicht in processtukken art. 51b Sv
- Recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging art. 51c Sv
- Spreekrecht art. 51e Sv
2
,Benadeelde partij: je kunt je schade (bijvoorbeeld een bril die door een ander kapot
is gegaan) onder omstandigheden ook in strafprocesrecht verhalen. Dit is dan een
slachtoffer als civiele partij.
Officier van justitie: art. 148 e.v en 132a Sv
Belangrijkste taak: geeft leiding aan opsporingsonderzoek en neemt strafvorderlijke
beslissingen > vervolgingsmonopolie
Rechter:
Een rechter is onafhankelijk en onpartijdig.
Absolute competentie: welk soort rechter is bevoegd?
Art. 382 e.v. Sv: kantonrechter > overtredingen
Art. 367 e.v. Sv: politierechter > overtredingen van max 1 jaar straf
Art. 268 e.v. Sv: meervoudige kamer > misdrijven.
Relatieve competentie: welke rechter in Nederland is bevoegd? > Waar is het feit
gepleegd? En wat is de woonplaats van de verdachte? Art. 2 Sv
Week 2: hoofdstuk 2; verdachte
Je bent verdachte als:
1. Tegen jou vervolging is ingesteld
2. Vóórdat de vervolging is begonnen, mits voldaan is aan de eisen van art. 27,
lid 1 Sv.
Zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen verdachte zijn.
Artikel 27 Sv heeft 2 criteria:
1. Redelijk vermoeden van schuld dat blijkt uit feiten en omstandigheden;
Vereiste a: objectiviteit vereiste: het redelijker vermoeden van de schuld
moet niet absurd klinken bij een onbekende
Vereiste b: waarschijnlijkheidsvereiste: de kans moet groot zijn dat
iemand het gedaan heeft dan iemand die het niet heeft gedaan.
2. Concreet strafbaarfeit
‘Vermoeden van schuld’ mag gebaseerd worden op anonieme informatie. De politie
moet de gegevens wel eerst verifiëren en als de informatie volstrekt vaag is dan mag
het niet.
Gevolg van verdachte is inzet van dwangmiddelen:
Vrijheidsbenemende dwangmiddelen bijvoorbeeld voorlopige hechtenis
Andere dwangmiddelen zoals opnemen van vertrouwelijke informatie, tappen
van telefoon en observeren.
Cautie: mededeling aan de verdachte dat hij zwijgrecht heeft.
Cautie moet gegeven worden voordat je gaat verhoren. Art. 29 lid 2 Sv
Wanneer geen cautie wordt verleend, is alles wat de verdachte heeft verklaard geen!
bewijs.
Pressieverbod: verdachte mag niet gedwongen worden om iets te vertellen.
3
, Rechten van de verdachte:
- Nemo-tenetur beginsel: verdachte hoeft niet actief mee te werken aan zijn
eigen veroordeling. Je hoeft geen verklaring tegen je zelf af te leggen. Art. 29
Sr en 14, lid 3, sub g IVBPR
- Onschuldpresumptie: je bent onschuldig totdat het tegendeel bewezen is. Art
14, lid 2 IVBPR en 6, lid 2 EVRM
- Ne bis in idem: verbod om voor twee keer hetzelfde feit te vervolgen. Art 68 Sr
en art 14, lid 7 IVBPR
- Recht op rechtsbijstand: art. 27c e.v.
Kernartikel is art. 28 Sv. De rechtsbijstand staat ook in art. 6, lid 3, sub c EVRM
en 14, lid 3, sub d IVBPR
Je moet actief wijzen dat de verdachte recht heeft op rechtsbijstand. Art. 27c Sv
De verdachte mag ook halfuur voor het verhoor overleggen met de raadsman: art.
28c
De raadsman kan ook bij het verhoor zitten. Art. 28d
- Recht op tolk/vertaling: dit is alleen op verzoek.
Tolk: art. 29b Sv, art. 14, lid 3, sub f IVBPR en art. 6, lid 3, sub e EVRM
Vertaling: art. 32a Sv
- Recht op inzage processtukken: art. 30 t/m 34 Sv
Je mag de processtukken inzien en een afschrift krijgen hiervan.
Opsporingsonderzoek: het is een onderzoek naar strafbare feiten. Het doel ervan is,
het nemen van strafvorderlijke beslissingen (; alle beslissingen die het OM kan
opleggen).
Opsporingsonderzoek staat in art. 132a en 148 Sv
De officier van justitie heeft de leiding over het onderzoek en de
opsporingsambtenaren voeren het uit; politie, marechaussee, buitengewone
opsporingsambtenaren. Art. 141 en 142 Sv.
Aangifte: art. 160 en 161 Sv.
Iedereen is bevoegd om aangifte te doen, maar is niet verplicht.
Aangifte doe je mondeling of schriftelijk op het bureau. Het kan ook digitaal.
Een ambtenaar mag een aangifte niet weigeren. Art. 163, lid 9 Sv
Zonder aangifte kan een opsporingsonderzoek gestart worden. Bijvoorbeeld als je
een lijk vindt en iemand op heterdaad betrappen.
Bij klachtdelicten (belediging, stalk) moet er naast een aangifte ook een klacht
indienen op het moment dat je wilt dat de OM de verdachte gaat vervolgen. Dus bij
klachtdelicten is er geen vervolging zonder klacht.
Week 3: hoofdstuk 4; vrijheidsbenemende dwangmiddelen
Kenmerken vrijheidsbenemende dwangmiddelen:
- Bevoegdheid om inbreuk te maken op de vrijheid van de verdachte
- Strafvorderlijk doel
- In alle fases van het strafproces
4