Leerdoelen:
1. Wat is het constructivisme?
2. Wat is traditioneel onderwijs?
3. Wat is het verschil?
4. Welke vorm van onderwijs is effectiever?
Bronnen:
Artikel de Kock
Artikel Kirschner
Artikel Schmidt
Boek Mayer – H18
1
,Leerdoel 1: Wat is het constructivisme?
Historisch perspectief: de rol van de leerkracht is in de jaren ’60 sterk veranderd. In
plaats van de leerling de vraag en het antwoord te geven, moesten de leerlingen hun eigen
antwoorden exploreren en formuleren.
Het constructivisme stamt af van de ideeën van Piaget en Vygotsky
Constructivisme
Het constructivisme is prescriptief en descriptief:
o Prescriptief: de doelen die vaststaan
o Descriptief: hoe je het bereikt staat vrij, mag je zelf invullen
Constructivistische is een reactie op het cognitivisme (informatieverwerkings-
theorieën): die visie gaat ervan uit dat de leerkracht de kennis overdraagt op de
leerlingen, het doel is kennis in het geheugen laten toenemen. Constructivistische
theorieën gaan over hoe mensen een mening vormen en kennis opbouwen uit
eerdere ervaringen. Het focust op de leerling die zijn eigen begrip opbouwt.
Inquiry based instruction is een goed voorbeeld van een constructivistische theorie.
De 4 basiselementen in inquire-based instruction:
o Voorkennis = nadruk ligt op de constructie van kennis, dat is de essentie van
het constructivisme. De leerling moet nieuwe informatie integreren in de al
aanwezige kennis (zie onderscheid hieronder)
o Sociale onderhandeling (samenwerken): leerlingen kunnen veel van elkaar
leren, dus leren zou moeten bestaan uit sociale onderhandeling.
Communicatie over het onderwerp en discussie zijn hierbij belangrijk.
Piaget (sociaal constructivisme): leren is een individueel proces, maar
wordt wel beïnvloed door deelname aan sociale activiteiten
Vygotsky (sociocultureel): leren is sociaal gesitueerd en daardoor een
sociaal proces
o Zelfsturing/zelfregulatie: doelen stellen, plannen maken, het eigen leerproces
monitoren. Als je het eigen leerproces stuurt, draagt dit bij aan het succes
ervan
o Betekenisvolle taken/situaties: hiermee wordt de leersituatie in het onderwijs
overeenkomstig gemaakt met toekomstige professionele situaties
Onderscheid bij voorkennis:
Het leerproces draait om 3 leerfuncties:
1. Cognitief
Voorbereidende leerfunctie: verbanden vinden tussen voorkennis en
vaardigheden
Uitvoerende leerfunctie: oefenen en toepassen
Afsluitende leerfunctie: samenvatten van nieuwe kennis en vaardigheden
2. Affectief
Voorbereidende leerfunctie: zoeken naar uitdagingen/koppelen van intenties
en plannen
Uitvoerende leerfunctie: hoog houden van motivatie en zelfvertrouwen
Afsluitende leerfunctie: belonen
3. Metacognitief
Voorbereidende leerfunctie: oriëntatie op doelen, plannen van tijd
Uitvoerende leerfunctie: diagnosticeren van oorzaken als er problemen zijn
Afsluitende leerfunctie: evalueren van het leerproces en de uitkomsten
2
,Instructiemethoden gebaseerd op inquiry
Volgens Barrows zijn er 3 belangrijke variabelen te onderscheiden die kunnen variëren in
verschillende student-gecentreerde benaderingen:
1. Het ontwerp en format van het probleem/project/casus (hoe ziet het eruit)
2. De mate waarin het leren leerkracht-gecentreerd of leerling-gecentreerd is
(rolverdeling)
3. De volgorde waarin problemen of taken aangeboden worden en informatie
verworven wordt (volgorde)
Op basis van die 3 principes kunnen de volgende 4 vormen worden onderscheiden:
1. Inquiry-based learning (IBL)
2. Problem-based learning (PBL)
3. Project-based learning (PjBL)
4. Case-based learning (CBL)
Inquiry-based learning (IBL)
De leerlingen worden geconfronteerd met/genereren zelf een vraag/raadselachtige
situatie die een open eind heeft, waarbij meerdere antwoorden mogelijk zijn.
Leren komt tot stand door een proces van onderzoeken (inquiry). De leerling raakt
hierdoor bekend met het onderwerp dat is geïntroduceerd, maar ook met het
onderzoeksproces zelf.
Cyclus van 3 stappen:
o Leerlingen kijken wat ze al weten en wat ze nog zouden willen weten over het
onderwerp/verschijnsel/situatie
o Toetsbare hypotheses opstellen, waar bewijs voor gevonden gaat worden
o Leerlingen vormen argumenten, die een mogelijke verklaring vormen voor het
verschijnsel
o Zo nodig kan de cyclus herhaald worden
Kernelementen;
o Betrokken zijn bij wetenschappelijk georiënteerde vragen
o Zoeken naar bewijs om antwoorden te vinden op deze vragen
o Ontwikkelen van antwoorden/verklaringen op de gestelde vragen
o Evalueren van deze verklaringen en de mogelijkheid tot andere verklaringen
o Eigen conclusies communiceren en verhelderen
Belangrijke activiteiten:
o Vragen stellen
o Kritisch denken
o Probleemoplossende vaardigheden
o Communicatie
Rol van de leerkracht: onderzoeksproces faciliteren, door bijvoorbeeld vragen te
stellen. De rol hangt af van de hoeveelheid scaffolding die leerlingen nodig hebben
en de vorm van IBL. Leerlingen moeten geholpen worden om meer autonomie in hun
onderzoeksproces te krijgen. De leerkracht is de expert.
Kan zowel individueel als in groepsverband
Effectiviteit: geen eenduidige resultaten
Problem-based learning (PBL)
Kleine groepen leerlingen (10-12), die leren in de context van betekenisvolle
problemen die een fenomeen/event beschrijven. Na het lezen van het probleem, dat
vragen oproept, bespreken de leerlingen mogelijke verklaringen voor het probleem in
een discussie. Het doel is om de voorkennis te activeren en er achter te komen wat je
nog niet weet. Die gaten in kennis worden omgezet in leerdoelen/vragen. Dit zorgt
3
, voor een gevoel van autonomie bij de leerling. Hierna vindt er zelfstudie plaats,
hierbij kunnen zij deels zelf bepalen wat belangrijk is en welke bronnen zij gebruiken;
dit zorgt ook voor autonomie. Vervolgens samen bespreken wat iedereen heeft
gevonden, begeleid door een tutor die de discussie stimuleert.
Rol van de leerkracht: tutor, hij moet de leerlingen begeleiden, de discussie
stimuleren en de voortgang evalueren
Effectiviteit: geen eenduidige resultaten, alleen positief of geen resultaat. Hierbij
wordt beter kritisch nagedacht en zijn de sociale vaardigheden beter
Project-based learning (PjBL)
Bij projectgebaseerd leren is het leerproces georganiseerd rondom projecten die
de student aandrijven. Door die projecten leren leerlingen concepten en principes van
een bepaalde discipline kennen.
Leerlingen mogen meebepalen welke inhoudsgebieden aan bod komen en hoe ze
naar het eindproduct toewerken.
Specifieke einddoelen moeten gehaald worden, maar het proces naar het
eindproduct kan per leerling verschillen. Specifieke, duidelijk vastgelegde,
eindproducten moeten behaald worden, dit kan ook weer bediscussieerd worden. Er
kan feedback gegeven worden of herziening plaatsvinden
Contextualisatie is cruciaal: projecten zijn ontworpen om realistisch en betekenisvol
voor leerlingen te zijn.
Rol van de leerkracht: project faciliteren, leerlingen helpen met de basis van het
project, ontwikkeling van de einddoelen monitoren, beoordelen van wat leerlingen
ervan hebben geleerd
Kan ook individueel, maar ook in groepsverband
Effectiviteit: overwegend positief, betere procesvaardigheden (steeds beter naar het
eindproduct toewerken)
Case-based learning (CBL)
Vorm van PBL. Het is een vorm van samenwerkend leren, waarbij de leerlingen
leren door middel van een casus.
o Verschil: Bij PBL is het probleem het beginpunt en bij CBL wordt eerst
informatie opgezocht en wordt geëindigd met de casus.
Voor de bijeenkomst wordt de casus individueel voorbereid, tijdens de bijeenkomst
wordt de casus besproken/bediscussieerd. (bijv. uitgewerkt voorbeeld van statistiek
bespreken)
Rol van de leerkracht: discussie begeleiden, faciliteren
Effectiviteit: positief, hogere scores op kennis, maar de opzetten van de studies zijn
niet sterk (bijv. geen controlegroep)
Verschillen:
PBL en CBL: leerkracht/tutor heeft de rol om de groepsdiscussie te faciliteren,
leerlingen moeten meer informatie zelf vinden
IBL: leerkracht is ook expert, biedt informatie aan de leerlingen aan op basis van hun
vragen over de stof.
PjBL: de leerkracht is coach.
De wijdte van de leeractiviteiten is vaak diverser bij IBL en PjBL (meer leeractiviteiten
en eindproducten) dan bij PBL en CBL, net als de eindproducten
Afhankelijk van de hoeveelheid begeleiding zijn IBL en PjBL meer leerling-gericht
omdat de leerlingen eigen vragen en projecten kunnen aandragen
PBL: eerst probleem opstellen, dan informatie zoeken
CBL: eerst informatie zoeken, dan casus beantwoorden
4