1.Waarom doen pubers som van die ‘stomme’ dingen? Pubers skaten zonder helm
want dat is ‘niet cool’. Zij leren pas op het allerlaatste moment voor een tentamen en
fietsen hangend aan een brommer zonder ligt over een weg waar auto’s op hoge
snelheid langs razen. Den-ken zij soms niet na? Deze vraag leeft bij veel ouders en
leerkrachten. Maar ook onderzoekers houdt deze vraag bezig.
Welke onderstaande beweringen van Eveline Crone is ONJUIST?
A
Jongens met een vroege rijping hebben vaak een veel positiever lichaamsbeeld en zien zichzelf als
aantrekkelijker dan jongens die minder ver zijn in de puberteit ontwikkeling.
B
Vroege rijping bij meisjes die relatief vroeg in de puberteit zijn hebben een negatief zelf-beeld.
C
Adolescentenhersenen zijn niet alleen bijzonder geschikt voor het exploreren van nieuwe ideeën eb
creativiteit, ook in sport zijn adolescenten vaak uitblinkers.
D
Het uitproberen van sprongen en bewegingen is voor adolescenten eerder angstig dan belonend.
2. Hoe
wordt het beloningscentrum/ pleziercentrum in de hersenen ook wel
genoemd?
A
basale ganglia
B
amygdala
C
prefrontale cortex
D
nucleus accumbens
3. Lotje heeft veeleisende ouders, hierbij wordt zij regelmatig beperkt in de dingen die
zij het liefste doet. Een voorbeeld hiervan is dat Lotte straf krijgt als ze 5 minuten te
laat thuis komt van het buitenspelen terwijl haar vriendinnetje dit niet krijgt. Lotje
heeft nu te maken met een conflict die past binnen een van de vijf stadia van
Erikson.
Welk conflict is dit?
A
Minderwaardigheid
B
Schaamte en twijfel
C
Basaal wantrouwen
D
Schuldgevoel
, 4. Piagetdeelde de ontwikkeling van spel in drie fasen die samenvallen met de
cognitieve fasen. Welke van de onderstaande beweringen is juist?
A
Oefenspel, symbolisch spel en spel volgens de regels zijn deze drie fasen
B
Piaget deelde de ontwikkeling van spel niet in drie fasen, dat was Erikson
C
Symbolisch spel past bij de concreet-operationele periode
D
Oefenspel, figuurlijk spel en spel volgens de regels zijn deze drie fasen
5. Hoe kan je als Sportkundige schooluitval helpen voorkomen in het kader van
integraal jeugdbeleid?
A
Door cursussen in Nature op te zetten voor ouders
B
Het project OKIDO binnen een gemeente opzetten
C
Samen te werken met het jongerenwerk binnen interventie Stay Scharp and in (S)cool
D
Ontwikkelen en uitvoeren van naschoolse activiteiten binnen de Brede School
6. Hetproces waarbij het kind leert zich de normen, waarden en opvattingen eigen te
maken die de ouder belangrijk vindt en zich te gedragen zoals de ouder dat wenst
wordt weergegeven middels de term:
A
identificatie
B
identificatie
C
verinnerlijking
D
socialisatie
7. E.Erikson verrichtte observaties in verschillende culturen en ontwikkelde een
theorie. Die theorie is gericht op:
A
De ontwikkeling van de interacties tussen kinderen onderling.
B
De ontwikkeling van de interacties tussen het kind en zijn sociale omgeving
C
De ontwikkeling van samenwerkingstructuren gebaseerd op cognitie.
D
De ontwikkeling van samenwerkingstructuren tussen groepen autochtonen en allochtonen.
8. Wat wordt in de Sociologie bedoeld met Positivisme?
A
Er op vertrouwen dat kinderen het meeste leren door ze het zelf te laten ontdekken
B
Zienswijze die er vanuit gaat dat alle mensen van nature een goed karakter hebben
want dat is ‘niet cool’. Zij leren pas op het allerlaatste moment voor een tentamen en
fietsen hangend aan een brommer zonder ligt over een weg waar auto’s op hoge
snelheid langs razen. Den-ken zij soms niet na? Deze vraag leeft bij veel ouders en
leerkrachten. Maar ook onderzoekers houdt deze vraag bezig.
Welke onderstaande beweringen van Eveline Crone is ONJUIST?
A
Jongens met een vroege rijping hebben vaak een veel positiever lichaamsbeeld en zien zichzelf als
aantrekkelijker dan jongens die minder ver zijn in de puberteit ontwikkeling.
B
Vroege rijping bij meisjes die relatief vroeg in de puberteit zijn hebben een negatief zelf-beeld.
C
Adolescentenhersenen zijn niet alleen bijzonder geschikt voor het exploreren van nieuwe ideeën eb
creativiteit, ook in sport zijn adolescenten vaak uitblinkers.
D
Het uitproberen van sprongen en bewegingen is voor adolescenten eerder angstig dan belonend.
2. Hoe
wordt het beloningscentrum/ pleziercentrum in de hersenen ook wel
genoemd?
A
basale ganglia
B
amygdala
C
prefrontale cortex
D
nucleus accumbens
3. Lotje heeft veeleisende ouders, hierbij wordt zij regelmatig beperkt in de dingen die
zij het liefste doet. Een voorbeeld hiervan is dat Lotte straf krijgt als ze 5 minuten te
laat thuis komt van het buitenspelen terwijl haar vriendinnetje dit niet krijgt. Lotje
heeft nu te maken met een conflict die past binnen een van de vijf stadia van
Erikson.
Welk conflict is dit?
A
Minderwaardigheid
B
Schaamte en twijfel
C
Basaal wantrouwen
D
Schuldgevoel
, 4. Piagetdeelde de ontwikkeling van spel in drie fasen die samenvallen met de
cognitieve fasen. Welke van de onderstaande beweringen is juist?
A
Oefenspel, symbolisch spel en spel volgens de regels zijn deze drie fasen
B
Piaget deelde de ontwikkeling van spel niet in drie fasen, dat was Erikson
C
Symbolisch spel past bij de concreet-operationele periode
D
Oefenspel, figuurlijk spel en spel volgens de regels zijn deze drie fasen
5. Hoe kan je als Sportkundige schooluitval helpen voorkomen in het kader van
integraal jeugdbeleid?
A
Door cursussen in Nature op te zetten voor ouders
B
Het project OKIDO binnen een gemeente opzetten
C
Samen te werken met het jongerenwerk binnen interventie Stay Scharp and in (S)cool
D
Ontwikkelen en uitvoeren van naschoolse activiteiten binnen de Brede School
6. Hetproces waarbij het kind leert zich de normen, waarden en opvattingen eigen te
maken die de ouder belangrijk vindt en zich te gedragen zoals de ouder dat wenst
wordt weergegeven middels de term:
A
identificatie
B
identificatie
C
verinnerlijking
D
socialisatie
7. E.Erikson verrichtte observaties in verschillende culturen en ontwikkelde een
theorie. Die theorie is gericht op:
A
De ontwikkeling van de interacties tussen kinderen onderling.
B
De ontwikkeling van de interacties tussen het kind en zijn sociale omgeving
C
De ontwikkeling van samenwerkingstructuren gebaseerd op cognitie.
D
De ontwikkeling van samenwerkingstructuren tussen groepen autochtonen en allochtonen.
8. Wat wordt in de Sociologie bedoeld met Positivisme?
A
Er op vertrouwen dat kinderen het meeste leren door ze het zelf te laten ontdekken
B
Zienswijze die er vanuit gaat dat alle mensen van nature een goed karakter hebben