Samenvatting H14 – Crisismanagement
14.1 Competenties
Motorische vaardigheden: dit verwijst naar de bekwaamheid om fysieke handelingen uit te voeren met
precisie en coördinatie. Het omvat handvaardigheid, oog-hand coördinatie en algemene
bewegingscontrole.
Procesvaardigheden: deze vaardigheden hebben betrekking op het vermogen om processen te
begrijpen, analyseren en beheren en daarbij waarop het werk georganiseerd gaat worden. Dit omvat
zowel cognitieve als praktische vaardigheden, zoals probleemoplossend vermogen,
planningsvaardigheden, besluitvorming en tijdmanagement.
Conceptherkenning: dit verwijst naar het vermogen om patronen, trends of essentiële concepten te
herkennen binnen gegevens, informatie of situaties. Het omvat het identificeren van
gemeenschappelijke elementen, het begrijpen van abstracte ideeën en het kunnen generaliseren van
informatie.
Rasmussen (1986) onderscheidt drie competentieniveaus:
(1) het routine- of vaardigheidsniveau, (2) het regelniveau en (3) het kennisniveau. Deze niveaus
vertegenwoordigen verschillende gradaties van cognitieve complexiteit die betrokken zijn bij het
uitvoeren van taken en het nemen van beslissingen. Het routine- of vaardigheidsniveau omvat
geautomatiseerde handelingen, het regelniveau omvat het toepassen van regels en procedures, en
het kennisniveau omvat het gebruik van abstracte kennis en expertise. Deze niveaus helpen bij het
begrijpen van hoe mensen verschillende taken uitvoeren en problemen oplossen.
Naast deze beschreven competentieniveaus spelen factoren zoals attitude, motivatie en
persoonlijkheid een rol.
14.2 Competenties en functies
Niveaus waarop competenties kunnen worden verworven zijn:
Kennisniveau A
Regelniveau B
Routineniveau C
Crisisteamleden zijn geen professionals, zij hebben in het dagelijkse leven een andere functie dan die
zij vervullen in het geval van een crisis.
14.3 Leren, opleidingen, trainen en oefenen
14.1 Competenties
Motorische vaardigheden: dit verwijst naar de bekwaamheid om fysieke handelingen uit te voeren met
precisie en coördinatie. Het omvat handvaardigheid, oog-hand coördinatie en algemene
bewegingscontrole.
Procesvaardigheden: deze vaardigheden hebben betrekking op het vermogen om processen te
begrijpen, analyseren en beheren en daarbij waarop het werk georganiseerd gaat worden. Dit omvat
zowel cognitieve als praktische vaardigheden, zoals probleemoplossend vermogen,
planningsvaardigheden, besluitvorming en tijdmanagement.
Conceptherkenning: dit verwijst naar het vermogen om patronen, trends of essentiële concepten te
herkennen binnen gegevens, informatie of situaties. Het omvat het identificeren van
gemeenschappelijke elementen, het begrijpen van abstracte ideeën en het kunnen generaliseren van
informatie.
Rasmussen (1986) onderscheidt drie competentieniveaus:
(1) het routine- of vaardigheidsniveau, (2) het regelniveau en (3) het kennisniveau. Deze niveaus
vertegenwoordigen verschillende gradaties van cognitieve complexiteit die betrokken zijn bij het
uitvoeren van taken en het nemen van beslissingen. Het routine- of vaardigheidsniveau omvat
geautomatiseerde handelingen, het regelniveau omvat het toepassen van regels en procedures, en
het kennisniveau omvat het gebruik van abstracte kennis en expertise. Deze niveaus helpen bij het
begrijpen van hoe mensen verschillende taken uitvoeren en problemen oplossen.
Naast deze beschreven competentieniveaus spelen factoren zoals attitude, motivatie en
persoonlijkheid een rol.
14.2 Competenties en functies
Niveaus waarop competenties kunnen worden verworven zijn:
Kennisniveau A
Regelniveau B
Routineniveau C
Crisisteamleden zijn geen professionals, zij hebben in het dagelijkse leven een andere functie dan die
zij vervullen in het geval van een crisis.
14.3 Leren, opleidingen, trainen en oefenen