● Schrijver. Vertel kort iets over zijn/haar werk.
● Verklaar de titel.
Is deze titel meerduidig? Dit betekent dat je hem op twee of meer manieren kan
verklaren.
Heeft het een ondertitel? Leg de ondertitel uit.
Titel komt soms letterlijk terug in het boek (tip: blz noteren als dat bij jouw boek het
geval is).
● Schrijf het plot van het verhaal in niet meer dan 150 woorden.
Dit is een samenvatting van het verhaal in de volgorde zoals het in het boek
geschreven wordt (nooit in ik-vorm). Alleen de hoofdlijn.
● In welk perspectief is het verhaal geschreven?
Soorten perspectief:
ik-perspectief
personaal-perspectief
auctoriaal - perspectief (alwetende verteller)
meervoudig/wisselend perspectief
● Wie is/zijn de hoofdpersoon/personen van het verhaal? Geef naast de naam ook
een beschrijving van het uiterlijk en van het karakter.
● Noem de in jouw ogen belangrijkste bijfiguur; omschrijf uiterlijk en karakter en geef
de relatie met de hoofdpersoon/personen aan.
● Hoeveel tijd verstrijkt er in het verhaal? Beredeneer dat aan de hand van een aantal
voorbeelden. Bepaal dus de tijdlijn.
De tijd die in het boek voorbij gaat noemen we de vertelde tijd.
De tijd waarin het verhaal zich afspeelt noemen we de historische tijd.
● Komen er ook wisselingen in de chronologie (in volgorde van tijd) voor?
Zie je in het verhaal flashbacks (terugblik), tijdsprongen (er wordt een stuk tijd
overgeslagen) en/of flashforwards (vooruitblik)?
● Hoe ziet de structuur van het verhaal eruit? Met andere woorden, hoe heeft de
schrijver het verhaal opgebouwd?
Zorg dat je de volgende begrippen kent: proloog, epiloog, opbouw tijd,
verhaallijnen, wisseling perspectief, einde (gesloten/open) enz.
● Wat denk je dat het thema (onderwerp) is van het verhaal? In een zin opschrijven.
Zijn er ook motieven aan te wijzen? (terugkerende zaken: abstract motief en
leidmotief).